Onmacht

Naast machtswellust en machtsmisbruik demonstreert de Enkhuizer raad van tijd tot tijd ook haar “onmacht”.

Zoals bijvoorbeeld bij de verkoop van grond in het recreatiegebied. Verkoop van grond is een bevoegdheid van het college, met één restrictie.

“Indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente. In het laatste geval neemt het college geen besluit dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.”

(Artikel 169 punt 4 gemeentewet)

Heeft de gemeente zich bij de verkoop van de grond in het recreatieoord gehouden aan de gemeentewet?

Het voorkeursscenario was de grond in erfpacht uit te geven, met als mogelijkheid de grond te verkopen als de omstandigheden dat noodzakelijk maakten.

Welke omstandigheden het noodzakelijk maakten om de grond te verkopen valt nergens terug te vinden. Een vraag daarover bleef onbeantwoord. Feit is verder, dat men in staat was in Broekerhaven een vakantiepark te realiseren zonder dat de grond werd verkocht, maar in erfpacht werd uitgegeven.

Het college noemt artikel 169.4 in het raadsbesluit van de vergadering van februari 2016, maar alleen in het kader van een scenario voor de voortzetting van de aanbesteding en NIET als mogelijkheid om bezwaren in te brengen tegen een aanstaande grondverkoop.

Bij die gelegenheid laat het toenmalig raadslid Quasten trouwens weten af te zien van deelname aan het debat, aangezien het om een bevoegdheid van het college ging en dat  volgens haar (om die reden) de uitkomst bij voorbaat al vast stond.

Een veel te voorbarige conclusie. Uiteraard kan het college de bezwaren van de raad voor kennisgeving aannemen. Maar mocht het college dat van plan zijn, dan staat het de raad vrij om het vertrouwen in het college op te zeggen en op die manier te verhinderen dat het college haar voornemen (tot grondverkoop) kan uitvoeren.

Samengevat, de verkoop van de grond in het recreatieoord heeft plaatsgevonden zonder dat er rekening is gehouden met hetgeen daarover is bepaald in de gemeentewet.

Dat het college en raad deze gang van zaken liever doodzwijgen begrijp ik, maar dat ze ook door onze ‘waakhond van de democratie’ wordt doodgezwegen, begrijp ik niet.

Feit is verder, dat de grond (juridisch gezien) een jaar geleden verkocht is en dat het college tot nu toe weigert om die verkoopprijs bekend te maken.

In plaats van te eisen, dat de verkoopprijs openbaar wordt gemaakt, neemt de raad er genoegen mee dat het niet gebeurt. Zelf is ze er kennelijk niet in geïnteresseerd en dus wenst ze ook niet op te komen voor de rechten van inwoners. Een beter bewijs van een “onmachtige raad” zal nauwelijks zijn te vinden.