Doodzwijgen.

Soms denk ik wel eens, was ik maar een comité geweest, dan zou het NHD misschien wat meer aandacht hebben besteed aan de vragen die ik op mijn blog naar voren breng.

Want laten we eerlijk wezen, wat de krant gisteren onder de kop “Politiek zet zichzelf buitenspel” opschrijft is hetzelfde als wat ik al maanden beweer. Terwijl het bewijs, dat het comité voor die stelling levert, hetzelfde is wat ik vijf dagen eerder beschreef in mijn column “Wie niet horen wil moet voelen”.

Ik heb al zeker 250 keer in kritische zin over het recreatieoord geschreven, maar ik kan me niet herinneren dat het NHD daar ooit serieus verslag van heeft gedaan.

Uiteraard ben ik het eens met het merendeel van wat het comité naar voren brengt, al was het maar omdat ik hetzelfde ook al talloze keren naar voren heb gebracht.

Toch is er volgens mij één ding dat het comité (en daarmee ook het NHD) over het hoofd blijft zien.

Hoe kan het, dat de gemeente grond (met een potentiële waarde van 20 miljoen) verkoopt aan een bv zonder personeel (en een eigen vermogen van € 201,-) voor ongeveer 1 miljoen, zodat die het kan doorverkopen aan een ontwikkelaar voor (naar schatting) 4 miljoen?

En hoe kan het, dat als je in die verkoopovereenkomst een clausule opneemt waarin dat recht op aankoop van grond niet zonder toestemming kan worden doorverkocht, het (met behulp van een aandelentruc) toch mogelijk blijkt te zijn? Louter incompetentie, of wellicht toch met een vooropgezet doel?

Waarom publiceert het NHD alleen maar nieuws over het REZ dat in veel gevallen geen nieuws is, maar propaganda van Droomparken en de gemeente? En waarom gaat ze zelf niet op zoek naar de antwoorden op vragen die ik geformuleerd heb, maar zwijgt ze het bestaan ervan dood?

Eenzijdige voorbereiding

Ik heb REZ al eerder vergeleken met Brexit, waarvan de voorstanders denken, dat zodra het Britse parlement een besluit om uit te treden heeft goedgekeurd, het ergste voorbij is.

Het is een misvatting, het moeilijkste deel zijn de onderhandelingen met de EU, die nog moeten worden gevoerd over de nieuwe handelsrelatie.

Voor het REZ geldt precies hetzelfde. De raad denkt, als we de rijen sluiten en unaniem  het bestemmingplan goedkeuren, dan zijn de grootste problemen voor de gemeente opgelost.

Helaas, dan beginnen de problemen pas echt, omdat er dan zaken aan de orde gesteld worden, waarvan de raad heeft nagelaten om zich in te verdiepen. Omdat, zoals Keesman (SP) het uitdrukte, men dacht er van uit te kunnen gaan, dat alles wel goed geregeld zou zijn.

Gisteren stond Heemschut in de krant met de mededeling, dat als de provincie niet met een reactieve aanwijzing ingrijpt, Heemschut haar bezwaren zal voorleggen aan de Raad van State. Wat impliceert dat er voor 2023 niets zal gebeuren.

Niets? Jazeker omdat de bezwaren van Heemschut ook het terrein betroffen waarop de nieuwe camping zou worden aangelegd.

Ik had de vage hoop, dat de reactieve aanwijzing van de provincie beperkt zou blijven tot het aantal vakantiewoningen en de rest van het bestemmingsplan goedgekeurd zou worden. Maar als het terrein voor de nieuwe camping ter discussie wordt gesteld, dan heeft dat gevolgen voor de verhuizing die noodzakelijk is, voordat er met de eigenlijke herinrichting kan worden begonnen.

Maar als de nieuwe camping nog niet kan worden aangelegd, dan kan ook de verhuizing niet doorgaan. Iets waarvan de gemeente en Orez vrij recent nog riepen dat hij uiterlijk 1 juli 2020 voltooid zou zijn. Niet dus.

Wanneer houden gemeente en Orez nu eens op om Enkhuizers dingen voor te spiegelen die ze niet kunnen waar maken? Als gevolg van hun volstrekt eenzijdige voorbereiding van het project.

 

Wensen en bedenkingen.

Artikel 169.4 van de gemeentewet bepaalt, dat indien een door het college voorgenomen besluit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente, zij dat besluit pas zal nemen nadat de raad in staat is geweest haar wensen en bedenkingen kenbaar te maken.

Die wensen en bedenkingen (bijvoorbeeld over het verkopen van grond in plaats van het in erfpacht uitgeven) hadden tijdens de raadsvergadering op 2 februari 2016 naar voren moeten worden gebracht. (De notulen van die vergadering zijn hier te lezen) 

Tijdens die raadsvergadering opent raadslid Stella Quasten met de mededeling dat ze van mening is, dat het voorstel geen voorstel is, maar een veredelde raadsbrief. De raad kan van alles van dit voorstel vinden, maar het is gewoon de bevoegdheid van het college. Van Reijswoud zal zich daar later bij aansluiten.

Ik ben bang, dat bovengenoemde raadsfracties zich onvoldoende rekenschap hebben gegeven van het begrip democratie, waarvan de essentie is, dat “het volk” (via haar vertegenwoordigers of rechtstreeks) altijd het laatste woord heeft. Ook als bepaalde bevoegdheden zijn overgedragen aan een college.

Dus, weliswaar is het verkopen van grond een bevoegdheid van het college, maar die bevoegdheid wordt ingeperkt door de verplichting om het voornemen tot verkoop, eerst aan de raad voor te leggen, voordat er een (niet meer ongedaan te maken) besluit wordt genomen.

Zodat de raad niet alleen haar wensen en bedenkingen kenbaar kan maken, maar ook in staat is een eventuele verkoop te verhinderen.

Theoretisch hoeft het college zich van die wensen en bedenkingen niets aan te trekken. Ze is immers bevoegd. Maar als het college zou aangeven, dat ze (ongeacht de door de raad ingebrachte bezwaren) de verkoop toch zou willen doorzetten, dan kan de raad dat verhinderen door het vertrouwen in het college op te zeggen.

Ongetwijfeld een paardenmiddel, maar wel degelijk een legitiem “raadsinstrument”.

Vanuit dat gezichtspunt hebben Quasten c.s. wat mij betreft de handdoek te snel in de ring gegooid en zou een krachtiger pleidooi (tegen het verkopen van de grond) op zijn plaats zijn geweest.

Ter vergoelijking geldt, dat de afweging verkopen/erfpacht door het college niet als een te nemen besluit was aangegeven en het dus pas bij de presentatie van het voorlopige plan duidelijk werd, dat het besluit daarover (binnenskamers) al was genomen.

Metafoor

De prijs voor de mooiste metafoor voor wat betreft de politieke bemoeienissen met het recreatieoord mag van mij naar onze lokale verslaggever Paul Gutter gaan.

luchtkasteel“Luchtkastelen bouwen op drijfzand”.

Over 10 dagen zal de raad doen wat het college van haar vraagt en keurt zij het drastisch gewijzigde bestemmingsplan goed.

Waarna de provincie concludeert, dat geen acht is geslagen op de door haar meermalen  geuite bezwaren over het bouwvolume. Ik citeer de provincie.

Of de maximaal 200 vakantiewoningen wel hoogwaardig inpasbaar zijn wanneer zij niet ieder aan vaarwater liggen laat zich thans niet beoordelen. Ontwerpend onderzoek moet dat uitwijzen. Daar had de ARO ook om verzocht. Op dit moment kan ik als PARK slechts de door de ARO gemaakte opmerking dat ‘maximaal 200 vakantiewoningen voor deze lokatie mogelijk een te zwaar programma is’ onderschrijven.

“Mogelijk” is een ambtelijk synoniem voor definitief.

Dus het is vrijwel zeker, dat de provincie het door de raad goedgekeurde plan prompt terugstuurt, met de aanwijzing het bouwvolume te verminderen.

Zodat er voor de gemeente weinig anders opzit, dan zich opnieuw bij Droomparken te melden met de mededeling, dat de overeenkomst die ze kort daarvoor was aangegaan met Orez niet kan worden uitgevoerd. Gelet op het verdienmodel van Droomparken zal die het verlies aan inkomsten door de gemeente gecompenseerd willen zien.

Discreet stilzwijgen.

Op 7 juni stelt Enkhuizen Vooruit een aantal schriftelijke vragen. Op 25 juni worden die vragen door het college beantwoord.

In haar antwoord op vraag 1 stelt het college het volgende.

Eerst na de overname van de aandelen door de nieuwe aandeelhouder is de statutaire zetel van deze vennootschap gewijzigd. Ook na de overname van de aandelen is en blijft OREZ B.V. onze contractpartner.

Dat vanaf dat moment de diverse wijzigingen, waaronder het bezoekadres, worden doorgevoerd in de reguliere registers is niet meer dan normaal.

Om te beginnen kan worden vastgesteld dat (anders dan door B&W wordt beweerd) de statutaire zetel niet is gewijzigd. En daarmee is er ook geen “bewijs” dat andere zaken (zoals het vestigingsadres) wel zouden zijn gewijzigd na overname van de aandelen.

Bovendien, de aandelen van Orez BV zijn helemaal niet van eigenaar verwisseld.

Dus de bewering, dat het bezoekadres is veranderd als gevolg van de overname, snijdt geen hout. Bovendien, wél een vestingsadres veranderen, maar niet het tijdstip waarop die verandering wordt doorgevoerd vermelden, is volstrekt ongeloofwaardig.

Dat in de eerste (vrijblijvende) fase het correspondentieadres van Tuin en consorten de  Kanaalkade 65A, 1756 AD ’t Zand was zal ongetwijfeld waar zijn.

Maar toen die gesprekken tot serieuze afspraken leken te gaan leiden werd er op 16-06-2016 een rechtspersoon in het leven geroepen (Orez BV) die de beoogde contractpartij voor de gemeente zou zijn.

En die rechtspersoon was (net als de eigenaar van die rechtspersoon) gevestigd op het zelfde adres als Droomparken. En zolang er geen keihard bewijs is van het tegendeel, is het volstrekt verantwoord er van uit te gaan dat, vanaf het moment van oprichting, Orez BV niet meer was dan een voor Droomparken werkende katvanger.

Nu begrijp ik ook wel, dat het voor een college moeilijk is te erkennen, dat ze (in plaats van ergens de regie over te voeren) zich op groteske wijze om de tuin heeft laten leiden.  Maar is dat voldoende rechtvaardiging om de raad (en daarmee indirect ook ons) voor te liegen?

Voor de gewone burger misschien niet, maar volgens de Enkhuizer bestuurscultuur is  vrijwel alles geoorloofd als het gaat om de eigen tekortkomingen te verbergen.

En dank zij het discrete stilzwijgen (dat college en raad uiteindelijk toch in acht zullen nemen), zullen we nooit weten of de gemeentelijke onderhandelaars zich op kinderlijk eenvoudige wijze om de tuin hebben laten leiden, of dat de hele gang van zaken een doorgestoken kaart was, met als oogmerk gemeentelijke eigendom (voor een appel en een ei) van de hand te doen.

Onwetendheid verbergen.

De antwoorden op de door HEA en EV! gestelde vragen staan op het RIS. De links er naar toe staan op dit blog in de rubriek “Stukken van en voor de raad” in de rechter kolom.  Klik op “vragen” en bepaal maand en jaar waarin de vragen zijn gesteld.

Een directe link naar de vragen van EV! (en de antwoorden er op) vindt u hier.  Ik vind ze wat concreter dan de vragen die HEA stelde. Vandaar dat ik hier aandacht wil geven aan de beantwoording door de gemeente.

Eerst de oorspronkelijke vraag in cursief,  dan het antwoord van de gemeente (in rood) en tot slot mijn reactie op het antwoord. Om te beginnen vraag 1.

1. Waren het huidige en/of voormalige college of andere direct betrokkenen op de hoogte van het feit dat men eigenlijk met één en dezelfde partij (OREZ/Droomparken) om tafel zat?
Zo ja, wanneer was men op de hoogte van dit feit en had het college dit dan niet eerder moeten en kunnen delen met de raad en wat is de reden van het niet delen van deze informatie?
Zo nee, hoe kan het dat het niemand is opgevallen dat een aantal Noord-Hollandse ondernemers, samengekomen in OREZ BV, gevestigd in Enkhuizen, als bezoekadres een adres in Beekbergen opgeven? Vindt er dan geen verder onderzoek plaats?
Indien deze kennis voor 15 mei 2019 aanwezig was, waarom is er gewacht met het naar buiten brengen van deze informatie tot na deze datum?

Wellicht is onze raadsbrief van 21 mei 2019 niet duidelijk genoeg geweest. Het is namelijk een misverstand om te denken dat OREZ en Droomparken vanaf het begin dezelfde partij zijn geweest c.q. op hetzelfde adres gehuisvest zijn geweest.
OREZ B.V. is vanaf de start onze contractspartner en was statutair gevestigd in Enkhuizen en kantoorhoudende Kanaalkade 65A, 1756 AD ’t Zand. Eerst na de overname van de aandelen door de nieuwe aandeelhouder is de statutaire zetel van deze vennootschap gewijzigd. Ook na de overname van de aandelen is en blijft OREZ B.V. onze contractspartner. Dat vanaf dat moment de diverse wijzigingen, waaronder het bezoekadres, worden doorgevoerd in de reguliere registers is niet meer dan normaal.
De overdracht van de aandelen is 15 april jl. voor het eerst aan ons kenbaar gemaakt. De feitelijke overdracht had toen al plaatsgevonden. Omdat wij, samen met OREZ B.V., de communicatie hierover moesten voorbereiden, waarbij alle betrokken partijen in de juiste volgorde geïnformeerd konden worden, is deze overname van aandelen eerst op 21 mei publiekelijk geworden.

Er geen sprake van een misverstand om te denken dat Droomparken en Orez (vanaf het moment van oprichting) op hetzelfde adres waren gevestigd. Het is eerder een poging tot misleiding (door de gemeente) door te beweren dat het niet zo is.

Zo is er om te beginnen een werkmaatschappij (Orez BV)  en een houdstermaatschappij (Holding REZ BV). Zowel houdster- als werkmaatschappij zijn beiden ingeschreven bij de KvK op 17-06-2016.  Ze hebben beiden hetzelfde bezoekadres Lage Bergweg 10 7361 GT Beekbergen. Ze hebben beiden ook hetzelfde postadres Postbus16 7370AA Loenen en hebben ook hetzelfde telefoon nummer 0555058810.

Bezoekadres, postadres en telefoonnummer zijn identiek aan dat van Droomparken BV, zodat het volstrekt duidelijk is, dat (vanaf het moment van oprichting) Orez BV niet meer was dan één van de vele werkmaatschappijen waar Droomparken over kon beschikken.

Een situatie die formeel zijn beslag kreeg “nadat” de gemeente haar plannen inzake het REZ (onder druk van Orez) “in procedure” had gebracht en er voor haar geen weg terug meer was.

De hier door de gemeente gegeven informatie is dus feitelijk onjuist. Men stelt namelijk, dat de adreswijziging van Orez BV pas werd doorgevoerd “nadat” haar aandelen waren verkocht.  In werkelijkheid was haar formele correspondentieadres vanaf de oprichting (17-6-2016) gelijk aan dat van Droomparken.

Dat in de vrijblijvende voorfase Peter Tuin de penvoerder was, mag dan waar zijn. Zodra die vrijblijvendheid echter voorbij was en Orez een rechtspersoon werd, was haar adres gelijk aan dat van Droomparken.

Een feit dat de gemeente klaarblijkelijk volkomen is ontgaan, totdat Orez BV op 15 april 2019 liet weten. dat haar aandelen inmiddels in handen waren gekomen van een ander bedrijf dat deel uitmaakte van het Droomparken conglomeraat.

Die onwetendheid zegt uiteraard iets over de regie, die de gemeente beweert al die tijd te hebben gevoerd. Het zegt ook iets over het vertrouwen dat we zouden moeten hebben in de  regie die de gemeente in de toekomst zegt te willen voeren.

Het zegt verder ook iets over de praktijk van Droomparken, die gebruik meent te moeten maken van katvangers om zaken te doen.

En uiteraard ook iets over het zakelijk inzicht van de gemeente, dat driekwart van het recreatieoord heeft geruild voor een anterieure  overeenkomst met een bedrijf met een geplaatst kapitaal van € 200,-.

En verder ook iets over het toezicht door de raad, die nog steeds geen enkel benul heeft wat de de anterieure overeenkomst precies inhoudt, maar er op voorhand wel mee heeft ingestemd, dat het recreatieoord inmiddels eigendom is geworden van Droomparken.

Kortom, de gemeente geeft nauwelijks antwoord op de gestelde vragen en het antwoord dat ze wel geeft bestaat uit een onwaarheid. Naar ik aanneem, vanuit de hoop, dat men zodoende de eigen onwetendheid voor de raad verborgen kan houden. Met nog een redelijke kans van slagen ook, want naast HEA en EV! is er geen partij die de behoefte heeft gevoeld om over dit onderwerp vragen te stellen.

Terechtgewezen.

Op 31 mei 2019 vergadert Provinciale Staten. Bij de ingekomen stukken troffen we onder punt 11 de zienswijze die door de provincie op 14  mei werd verstuurd. Op 3 onderdelen heeft de provincie bezwaren.

• Het stedenbouwkundig ontwerp sluit nog onvoldoende aan bij het eerder met elkaar opgestelde kader en de door GS overgenomen kritiekpunten van de ARO uit 2015;
• Voorwaarden Natura 2000;
• Onderbouwing waterveiligheid en klimaatadaptatie

Pijnlijk, om er (na anderhalf jaar overleggen met de ontwikkelaar) achter te komen, dat wat je tot dusver met de ontwikkelaar bent overeengekomen, niet overeenstemt met wat je eerder met PS was overeengekomen.

Het voorliggende stedenbouwkundige ontwerp is beoordeeld door Steven Slabbers, de huidige PARK (Provinciaal Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit). Het provincie bestuur laat weten dat men zijn advies onverkort heeft overgenomen. Het luidt:

Het thans voorliggend ontwerp doet geen recht aan de adviezen die de ARO in 2015 heeft meegegeven, beantwoordt onvoldoende aan de uitgangspunten van Palmhout en zet de museale beleving ernstig onder druk.

En of dat nog niet voldoende is volgt er ook nog kritiek op het proces.

Graag willen wij uw college ten aanzien van het gevoerde proces nog wijzen op het volgende. Wij hebben vroegtijdig gecommuniceerd dat het van groot belang is dat het plan voorafgaand aan het in procedure brengen (terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan) aan ons ter beoordeling wordt voorgelegd. Dit om te bezien of voldoende tegemoet wordt gekomen aan de benoemde provinciale belangen.

Uw college is daar onvoldoende aan tegemoet gekomen door het plan op 1 8 maart jl. aan ons ter beoordeling toe te sturen, maar kort daarna op 4 april al ter inzage te leggen. Wij zijn hierdoor onvoldoende in de gelegenheid gesteld om inhoudelijk goed op het concept ontwerp te kunnen reageren.

Het begint steeds duidelijker te worden, dat zowel college als raad volledig hun greep op de werkelijkheid hebben verloren en dat ook dit project gedoemd is te mislukken. Zoals tot dusver alles is mislukt, dat van doen had met de herinrichting van het recreatieoord.

En voor het geval B&W nog steeds dachten, dat ze (zonder zich van iemand iets aan te trekken) hun eigen gang konden gaan, een niet mis te verstane waarschuwing van het provinciebestuur.

Indien het vastgestelde bestemmingsplan niet in overeenstemming is met de PRV, dan zullen wij een reactieve aanwijzing conform artikel 3.8 lid 6, gelezen in verbinding met artikel 4.2, van de Wro overwegen.