Verder teloor gaan.

wetHans Langbroek laat in het NHD van gisteren optekenen, dat gezien de overeengekomen bedragen, het collegevoorstel om de opgelegde geheimhouding te bekrachtigen, volstrekt onzinnig is en het sop de kool niet waard is.

Hij noemt de bedragen waar het om gaat en dan vraag je jezelf inderdaad af, waarom heeft men in  hemelsnaam besloten tot geheimhouding? 

Het begint allemaal met de raadsbrief van 16 april, ondertekend door de burgemeester en de gemeente-secretaris. De zin in de raadsbrief die ieders aandacht trekt is deze

In die overeenkomst is opgenomen dat beide partijen zich in de openbaarheid niet uitlaten over de inhoud van deze schikking en dus geheimhouding in acht nemen.

De raadsbrief werd met vertraging doorgestuurd naar de raad met als reden voor de vertraging, dat men eerst advies over de inhoud wilde van een externe jurist. Die gang van zaken roept de volgende vragen op.

Waarom achtte het college het noodzakelijk, dat er over de inhoud advies moest worden gevraagd? Welke wijzigingen zijn er op basis van het advies in de oorspronkelijk tekst aangebracht en wat is de letterlijke tekst van dat advies?

Vragen die raadsleden natuurlijk al veel eerder hadden moeten stellen, maar die vragen nu eenmaal liever naar de bekende weg.

Zoals, “Krijgt de raad inzage in de overeenkomst?”. Antwoord, “Ja de raad krijgt uiteraard inzage in de gesloten overeenkomst”.

De vraag die ze niet stelden, maar die ze beter wel hadden kunnen stellen was, “Op basis van welke kennis en bevoegdheid menen burgemeester en gemeente-secretaris (tevens meester in de rechten) dat de Wet Openbaarheid van Bestuur in dit bijzondere geval niet van toepassing is?

Hadden beiden zo weinig kennis van artikel 10 van de WOB dat ze niet beseften, dat de uitzonderingsgrond (we zijn het er samen over eens geworden) niet in de wet voorkomt?

En was degene, die ze om advies hadden gevraagd, daar ook niet mee bekend?

koot en bie
Charlatans

Dat is nauwelijks voorstelbaar. Maar niet alleen B&W, ook de raadsgriffier lijkt te zijn getroffen door  opvallende onwetendheid.

Zo weet hij bijvoorbeeld niet, dat het recht op inzage (voor leden van de raad) onvoorwaardelijk is en niet ingeperkt kan worden door de voorwaarden die je als college denkt te kunnen stellen.

De raad heeft als taak het college te controleren en daarom is het absurd om te denken dat een college in staat zou zijn te bepalen welke documenten de raad wel en welke zij niet  zou mogen inzien. Het recht op inzage is dan ook een onvoorwaardelijk recht.

Iets geheel anders is of men de kennis, die men verwerft door inzage, mag delen met anderen.

Het college is bevoegd om een geheimhoudingsplicht op te leggen en het niet nakomen van die plicht kan leiden tot strafvervolging.

Het college heeft echter niet het recht om de raad kennis te onthouden. Ze kan de raad (voor een korte tijd) alleen verbieden die kennis met anderen te delen. Totdat de raad besluit of zij die (tijdelijk opgelegde) geheimhoudingsplicht wil omzetten in een permanente.

snake-oil-salesman1
Charlatan

Voor de griffier staat een tijdelijk verbod op het delen van kennis, kennelijk gelijk aan een verbod op het verwerven van kennis door de raad. Het eerste is wel een bevoegdheid van het college, het tweede niet.

Volgens de griffier heeft het college haar verbod tot kennisname pas de vrijdag voor de raadsvergadering opgeheven. Wat er op neerkomt, dat dit verbod bijna 2 maanden heeft stand gehouden. Alleen Raven (NE) protesteert (tamelijk laat overigens) tegen deze gang  van zaken.

De overigen (met uitzondering van Langbroek) laten het zich (zonder morren) welgevallen.

Zoals het college een niet in de wet genoemde uitzondering construeert, zo creëert de griffier (in overleg met het college?) een “voorwaardelijk” recht op inzage dat eigenlijk niet bestaat.

Over de oorspronkelijke voorwaarde (men dient eerst een geheimhoudingsverklaring te tekenen wilde er inzage worden verschaft) wordt niet meer gerept. Nu laat de griffier  weten, dat het recht op inzage pas is ontstaan nadat het college haar blokkade (op 15 juni) had opgeheven, waarmee de oorspronkelijke “voorwaarde vooraf” voor het oog was komen te vervallen.

Hier wordt het recht, om geheimhouding op te leggen, doelbewust gelijk gesteld aan een (niet bestaand) recht van het college om voorwaarden vooraf te stellen.

Het is een deprimerend en ontluisterend beeld dat bestuurlijk Enkhuizen tijdens deze vergadering van zichzelf heeft weten te scheppen. Bestuurders, die zich hebben laten adviseren presenteren vervolgens de raad (willens en wetens) een voorstel dat niet is gebaseerd op een wettige, maar op een  onwettige uitzonderingsgrondslag.

Terwijl degene wiens taak het is de raad bij te staan met raad en advies, alleen maar verwarring schept over haar rechten. En het college rechten toedicht die ze niet heeft. Zoals te bepalen waar en wanneer de raad ergens kennis van mag nemen.

Men verwijt mij vaak cynisme, maar het cynisme dat de bestuurders, de griffier en ambtenaren in deze kwestie ten toon spreiden is vele malen erger.

De raad ondergaat dit alles zonder enig merkbaar verzet. Tenzij men de handen ineen weet te slaan, in verzet komt  tegen de charlatans die haar van advies dienen en orde op zaken stelt, zal zij haar gezag (waar nauwelijks nog iets van over is) alleen maar nog verder teloor zien gaan.

Advertenties

Wedden dat.

College van B&W
Frauduleus?

De WOB zaak die ik bij de bestuursrechter heb aangekaart loopt voorspoedig. De dagvaarding is ingediend, en daarop is inmiddels al een reactie van de gemeente ontvangen. Zo’n reactie heet Conclusie van Antwoord in rechtbanktermen.

Het wachten is nu op de datum  van de “zitting” waarop de rechter zal bekijken of partijen het wellicht toch met elkaar eens kunnen worden. Lukt dat niet dan doet hij uitspraak.

Mijn eis is, dat hij de gemeente opdraagt mij de ontbrekende stukken alsnog ter inzage te geven. Het standpunt van de gemeente is, dat zij daar niet aan kan voldoen omdat die stukken er niet zijn.

Eén ding is zeker, je kunt niet bewijzen dat iets er niet is. Je kunt hoogstens aannemelijk maken dat het er niet is.

Voor mij geldt het hetzelfde, ik moet aannemelijk maken dat iets er wel is. Volgens Baas heeft de gemeente (als overheid) op dit punt een voorsprong. Althans ten opzichte van de raad. Die heeft hij voorgehouden dat zij er op moet vertrouwen dat de overheid de waarheid spreekt, tenzij men kan bewijzen dat dit niet het geval is.

Hij eist dus vertrouwen van de raad en eist tegelijkertijd dat de raad het bewijs levert dat het college dat vertrouwen niet waard is. Dat laatste is niet waar. De raad kan gewoon “vinden” dat een college haar vertrouwen niet langer waard is.

Dat hoeft ze niet te bewijzen, ze kan dat gebrek aan vertrouwen gewoon uitspreken. Het vergt niet meer dan durf om dat te doen. De raad van Enkhuizen ontbeert die durf, maar kwelt zichzelf over het vinden van een bewijs.

Uit het feit dat ik wel, maar de raad niet, naar de rechter kan stappen over hetzelfde onderwerp concluderen sommige raadsleden dat een burger meer mogelijkheden heeft dan raadsleden. Helaas is dat een verkeerde conclusie.

In de relatie college/raad fungeert de raad als rechter die een politiek oordeel velt. Waarbij ze zelf bepaalt wat ze bewezen acht. Ze kan dingen bewezen verklaren waar rechters over zouden aarzelen ze bewezen te verklaren.

De bestuursrechter velt geen politiek oordeel. Zijn taak is om te beoordelen of een wet (in dit geval WOB) op correcte wijze is uitgevoerd.

Alleen als dat naar zijn opvatting niet het geval is, kan hij mijn eis toewijzen en de bestuurders opdragen mij de informatie te verstrekken waarom ik heb gevraagd.

Wat er dient te gebeuren met de bestuurders die de wet niet op correcte wijze hebben uitgevoerd valt buiten zijn bevoegdheid. Dat is de bevoegdheid van degenen die toezicht houden op het werk van die bestuurders. In dit geval dus de gemeenteraad van Enkhuizen.

De raad is volstrekt autonoom. Dat wil zeggen dat zij aan niemand verantwoording hoeft af te leggen. Ze kan er voor kiezen, maar er bestaan op dat punt geen voorschriften.

Iets ingewikkelder ligt het als er sprake is van frauduleuze praktijken. Die zijn namelijk strafbaar. Onderzoek daar naar is in handen van het Openbaar Ministerie. Maar daarvoor moet natuurlijk wel aangifte worden gedaan.

Dat er in deze kwestie sprake is van een frauduleuze offerte (waarmee getracht werd de raad over te halen tot het doen van een betaling aan de aannemer) ligt er volgens mij vrij dik bovenop, maar de raad ziet dat kennelijk anders.

Zo beweerde de gemeente aanvankelijk dat de kosten van verzwaring ongeveer € 100.000,- bedroegen om uiteindelijk te beweren dat zij slechts € 20.000,- waren.

Mijn stelling is dat de oorspronkelijk bewering gebaseerd was op een frauduleuze offerte en dat het college daar ook van op de hoogte was.

In het dossier bevindt zich namelijk geen document waaruit blijkt dat het college de aannemer op dat punt heeft gecorrigeerd.

Kortom, het college heeft willens en wetens een frauduleuze offerte gebruikt om de raad er toe te bewegen dat ze een krediet moest verstrekken, opdat de aannemer een ton kon  worden betaald.

Dat die opzet mislukte, maakt het feit niet anders.

De raad is die frauduleuze opzet tot dusver niet opgevallen. Waarschijnlijk omdat de gemeente er beter van is geworden. Uiteindelijk is de aannemer namelijk niet betaald. Je zou daar de conclusie uit kunnen trekken dat de gemeenteraad van Enkhuizen instemt met frauduleus optreden van haar college, zolang de gemeente er maar voordeel aan heeft.

Dat belooft wat voor de aanbesteding van het REZ.

Ik vind dat tamelijk opzienbarend nieuws en daarom schrijf ik er ook over.  De raad komt echter aanstaande dinsdagavond weer bijeen. Wedden dat ze het er niet over zullen hebben?

Janboel

janboelDe hoofdpersonen in Dromgate heten allebei Jan. Jan Verhulst is directeur van Hillen & Roosen. Jan Slagter is loco-secretaris van de gemeente Enkhuizen.

Beide Jannen spraken op 11 maart 2015 met elkaar af dat Hillen & Roosen de verzwaring van het elektranetwerk van de Drommedaris voor eigen rekening en risico zou aanleggen, waarbij Slagter toezegde dat het college de raad zou voorstellen een garantie af te geven van waaruit de kosten voor deze voorziening (begroot op € 100.000,-) betaald kon worden. Die toezegging doet het college gestand in haar raadsvoorstel  van 31-3-2015.

Tijdens een bouwbespreking doet projectleider Piet Conijn enthousiast verslag van het resultaat van die bijeenkomst. De notulen van die bespreking vermelden dat het geschil tussen Hillen & Roosen en de gemeente over de vertragingskosten is opgelost als gevolg van een opdracht door de gemeente ter waarde van € 100.000,-.

Er speelde dus niet alleen een geschil over de kosten van verzwaring, maar ook over de meerkosten als gevolg van ontstane vertragingen. In haar raadsvoorstel van van 31-3-2015 spreekt het college dat echter tegen. Daarin stelt ze, dat ze de eis voor compensatie van extra vertragingskosten heeft afgewezen.

Beide opvattingen kunnen niet tegelijkertijd waar zijn. Zowel Slagter (auteur van het raadsvoorstel) als Conijn waren namens de gemeente aanwezig bij het gesprek met Verhulst.

Beiden beweren geen gespreksverslag te hebben gemaakt van deze tamelijk cruciale bijeenkomst met Verhulst.

Een jaar later (op 11-5-2016) vindt een nieuw gesprek plaats tussen Verhulst en Slagter. Ditmaal over een compromis. Ook van dit gesprek wordt volgens Slagter geen verslag gemaakt uit efficiëntie overwegingen. De inhoud ervan wordt vastgelegd in het raadsvoorstel van 31-5-2016.

Daarin wordt vastgelegd dat de kosten van verzwaring begroot zijn op € 30.000,- waarvan de aannemer 1/3 voor zijn rekening zal nemen. De netto-kosten voor de verzwaring zijn dus in één jaar tijd gedaald van € 100.000,- naar € 20.000,-. In hetzelfde raadsvoorstel (dat door de raad in juli 2016 wordt behandeld) stelt het college voor om de aannemer totaal € 60.000,- te betalen. Ook beweert ze niet over een factuur te beschikken waarmee de vordering van de aannemer kan worden gerechtvaardigd.

Naar aanleiding van deze feiten mail ik een tweetal vragen aan Verhulst.

  1. Wat is de reden dat hij geen factuur heeft uitgemaakt voor de vordering die hij op de gemeente heeft?
  2. Wat is zijn verklaring voor het feit dat hij boven de kosten voor verzwaring (€ 20.000,-) recht meent te hebben op een bedrag van € 40.000,-?

Verhulst geeft ontwijkende antwoorden op beide vragen, maar stuurt ze wel door naar Slagter. In het begeleidende schrijven stelt hij, “ik wil ook daar niet in de fout gaan.”

Het “daar” in deze zin heeft betrekking op zijn eerdere verzoek in hetzelfde schrijven. Raadslid Kunst heeft hem geadviseerd een brief naar de raad te schrijven.

Om te voorkomen dat de “verkeerde dingen” worden gezegd, vraagt hij Slagter om samen de tekst en strekking te redigeren. Dit resulteerde uiteindelijk in de brief aan de raad van 20 oktober 2016. Toen ik haar onder ogen kreeg sprak ik het vermoeden uit dat ze in de Breedstraat was opgesteld. Dat vermoeden is dus juist gebleken.

Deze brief is door de raad naar de prullenbak verwezen. Al met al kun je stellen dat beide Jannen er al met al een Janboel van hebben gemaakt. Vast staat dat beiden zeer nauw hebben samengewerkt om een vordering op de gemeente gestalte te geven, waarbij gebruik werd gemaakt van misleidende documenten.

Zo was de offerte die aan de raad werd verstrekt al achterhaald op het moment dat ze werd getoond. Op dat moment was er een herziene versie beschikbaar die € 15.000,- lager was. Maar ook die herziene versie bevatte elementen die in strijd waren met de werkelijkheid.

Ook de angst van Verhulst om “verkeerde dingen” te zeggen vraagt om een verklaring. Hem is het raadsvoorstel (hoogst ongebruikelijk) ter goedkeuring voorgelegd en hij heeft daaraan zijn goedkeuring verleend. Volgens de gemeente toont dit aan dat wat in het raadsvoorstel is vastgelegd een correcte weergave is van hetgeen is afgesproken.

Maar voor hetzelfde geld toont het aan dat beide Jannen in hetzelfde complot zaten. Een complot dat tot doel had de raad ervan te overtuigen dat de aannemer een vordering had op de gemeente van € 100.000,- en toen dat mislukte een vordering van € 60.000,- en toen ook dat mislukte, moest een door Slagter geredigeerde brief alsnog uitkomst bieden. En ook dat mislukte tot dusver.

Je kunt wel blijven roepen dat de aannemer voor eigen rekening en risico opereerde, maar als je als gemeente zoveel moeite doet om hem toch te betalen, dan kun je nauwelijks nog spreken van een risico.

Het enige risico dat je dan nog neemt is dat de Enkhuizer raad geen flauw benul heeft van waar ze mee bezig is. Helaas komt dat nogal eens voor en leidt dat tot onlogische besluiten, die gebaseerd zijn op politieke onderbuik gevoelens en zelfoverschatting. Maar dat terzijde.

janboel2Beide Jannen moeten hebben geweten, dat de aan de raad getoonde offerte niet deugde. Ze bevatte inrichtingskosten die niet voor rekening van de gemeente waren. Ze bevatte kosten voor het afbreken en opbouwen van meubilair die niet waren gemaakt. Ze bevatte kosten voor het 4 weken langer in stand houden van de bouwplaats die evenmin waren gemaakt.

Maar ondanks deze opvallende gebreken ontbreekt elke correspondentie daarover in het dossier, zoals er ook geen enkele verklaring bestaat voor het feit dat boven de kosten van verzwaring € 40.000,- extra betaald diende te worden.

De vraag die zich opdringt is, waar zit ik in hemelsnaam naar te kijken? Twee Jannen die een poging deden om de gemeente een ton “lichter” te maken en die, nu dat is mislukt, hun poging hebben opgegeven? Of is de aannemer uiteindelijk gewoon stiekem betaald en zijn de uitgaven op een andere begrotingspost geboekt?

Zoals de uit de hand gelopen kosten voor projectmanagement geboekt zijn als personeelskosten. Of andere bouwkosten als achterstallig onderhoud of weer andere kosten als “ïnhuur”.

Maar de meest intrigerende vraag is natuurlijk, beperkt het complot zich tot deze twee Jannen? In theorie is dat mogelijk. Immers, het college beweert dat er geen ambtelijke verslagen zijn van de besprekingen die met de aannemer hebben plaatsgevonden. Ik vind dat hoogst ongeloofwaardig en daarom vraag ik de rechter om daar uitspraak over te doen. Maar dat er sprake is van een complot om de raad te misleiden over de ware aard van de gemaakte afspraken kun je nu al vaststellen.

Dat de raad dat tot dusver niet heeft gedaan stelt het college dan weer in staat om in haar conclusie van antwoord (in de door mij aangespannen rechtszaak) te eindigen met “Daarbij mag niet onbesproken blijven dat de gemeenteraad geen twijfels heeft gehad over de verantwoording en informatieverstrekking die het college heeft gegeven.”

In werkelijkheid hebben twee raadsfracties verzocht om uitstel, omdat ze de verstrekte informatie onvoldoende achtten. Door de overige acht fracties zijn twee amendementen ingediend die beide zijn verworpen. Het collegevoorstel behaalde evenmin een meerderheid.

Ik heb het al vaker gezegd, wanneer het de overheid uitkomt spreekt ze de waarheid, als het haar niet uitkomt fantaseert ze er vrolijk op los.

 

Bedrieglijke offerte.

Clubhuis der notabelen
Bedrieglijke offerte

Goed, we hebben het nieuwe jaar stevig ingezet door vast te stellen dat B & W vanalles verzinnen. Zoveel, dat je eerder geneigd bent om te spreken van een college van List & Bedrog, dan van een college van Burgemeester & Wethouders.

Over de reden voor die verzinsels later meer. Eerst maar eens vaststellen waarover ze jokkebrokken.

Het begint allemaal met de vergadering van 11 maart 2015, waarin gemeente en aannemer afspraken maken over hoe het nu verder moet. De feiten zijn als volgt:

De gemeente bakkeleit al maanden over de vraag wie de kosten van verzwaring moet betalen en het einde is niet in zicht. En daarboven zijn er dan ook nog de vertragingsclaims van de aannemer.

Vertragingsclaims? Nooit van gehoord.

Toch wel, ze staan gewoon in het raadsvoorstel van 31 maart 2015 onder punt 4 waarin de meerkosten worden behandeld. De volgende meerkosten worden daar genoemd. Voor het gemak som ik ze nog even op.

  1. € 120.000,- = de bouwtechnische staat van de kap.
  2.   € 50.000,- =  de kelder/fundering.
  3.   € 65.000,-  = vertragingsschade.
  4. € 130.000,- = project management.

Volgens de gemeente is er van de vergadering op 11 maart geen verslag gemaakt. Dat vind ik dan weer zo ongeloofwaardig dat ik inmiddels naar de bestuursrechter ben gestapt om de gemeente te dwingen mij dat verslag alsnog te tonen.

Maar het feit, dat de gemeente beweert geen verslag te hebben gemaakt, wil niet zeggen dat anderen die bij dat gesprek waren betrokken, (zoals de projectleider Piet Conijn), geen verslag hebben uitgebracht over de uitkomst van dat gesprek.

Tijdens een bouwvergadering legt de notulist uit zijn mond het volgende vast:

De vertragingsclaim die Hillen en Roosen bij de gemeente heeft gelegd is van de baan.

Dhr Slachter heeft blijkbaar de aannemer een aanvullende opdracht thv ca €100.000,- gegeven voor het uitvoeren van het verzwaren van het elektriciteitsnetwerk. Dit werk is reeds uitgevoerd.

Met Slachter wordt Slagter bedoeld, de huidige (tijdelijk) gemeente-secretaris van de gemeente.

Dus in ruil voor een opdracht van € 100.000,- was de vertragingsclaim van de baan?

Dan kunnen de werkelijke kosten van die “opdracht” nooit meer dan € 35.000,- zijn geweest. Namelijk € 100.000,- minus € 65.000.- vertragingsclaim/vertragingsschade.

Maar wacht, die opdracht betrof toch verzwaring “na inhuizing” terwijl ze vóór inhuizing (= oplevering) was uitgevoerd. En in dat geval was de “opdracht” volgens een tweede offerte van de aannemer € 15.000,- goedkoper, dus  ongeveer € 85.000,-.

€ 85.000,- minus een vertragingsclaim van € 65.000,- wil zeggen dat de “opdracht” uiteindelijk niet meer dan € 20.000,- waard was. De “opdracht” betrof  het verzwaren van het elektranetwerk in de Drommedaris. Kan het zijn dat die opdracht, anders dan de gemeente steeds beweerde,  niet meer waard was dan € 20.000,- ?

Inderdaad, het staat wat ingewikkeld omschreven in het laatste  raadsvoorstel, maar het klopt wel.

In dat raadsvoorstel staat namelijk dat de kosten van verzwaring in overleg met de stichting begroot zijn op € 30.000,- waarvan de aannemer 1/3 voor zijn rekening neemt. De netto kosten voor de verzwaring zijn dus € 20.000,-, waarvan de gemeente en de stichting ieder de helft voor hun rekening nemen.

Dan de claim vanwege vertragingen. Die was oorspronkelijk € 65.000,-, maar is door de aannemer uiteindelijk terug gebracht naar € 40.000,-.  Daarbij moeten we wel bedenken dat het om een claim ging, waarover nog onderhandeld moest worden. Maar daarvoor was op dat moment geen tijd meer.

Verder uitstel zou nieuwe vertragingskosten met zich meebrengen. Er moest nu een oplossing komen en die oplossing was, “als de gemeente zich sterk zou maken voor de betaling van € 100.000,- (voor verzwaring en vertraging) dan zou de aannemer (zonder dat zij daar een specifieke opdracht voor kreeg) de verzwaring aanleggen”. De aannemer nam daarbij het risico dat de raad betaling niet zou goedkeuren. Daar stond tegenover dat zij zonder al te veel verdere poespas haar claim op vertragingskosten kreeg uitbetaald. Het enige dat ze daarvoor hoefde te doen was een enigszins betrouwbaar ogende offerte af te geven.

Daarmee nam de aannemer een risico, maar als de hoogste ambtenaar van de gemeente je verzekert (niet garandeert) dat de gemeente zijn best zal doen om tot betaling over te gaan, dan is het begrijpelijk dat de aannemer genoegen nam met die verzekering.

Feit dat deze afspraak gebaseerd was op de afgifte van een bedrieglijke offerte, vormde voor de aannemer, noch de gemeente een zwaarwegend bezwaar. In het dossier bevindt zich geen brief of email waarin de gemeente zich beklaagt over de juistheid van de offerte. Als daar van buitenaf (de stichting) kritiek op komt, dan wijst men die kritiek van de hand.

Zowel gemeente als aannemer hebben zich aan die afspraak gehouden. Het ging mis, omdat de stichting als eerste wees op de bedrieglijke inhoud van de offerte. Dat was tegen het zere been van de SP, die meende de reputatie van haar wethouder te moeten beschermen door de reputatie van de stichting in twijfel te trekken. Wat uiteindelijk een nogal pathetische boycot van de nieuwjaarsreceptie tot gevolg had.

Maar achteraf kunnen we vaststellen, dat de stichting gelijk had met haar bewering, dat de gemeente door middel van haar offerte kosten had opgevoerd die niets met de verzwaring uitstaande hadden, maar betrekking hadden op kosten als gevolg van eerder opgelopen vertragingen.

Samengevat, op 11 maart 2015 maakten aannemer en gemeente (misschien wel met de beste bedoelingen) een afspraak die het daglicht niet kon verdragen.

Vanavond is de raad weer bijeen. Ik ben benieuwd.

Poging tot fraude?

accountantOk, de aannemer heeft dus een valse offerte uitgemaakt die de wethouder vervolgens gebruikt heeft om de raad er van te overtuigen een krediet beschikbaar te stellen om hem te kunnen betalen.

Die offerte bevatte de term ‘na inhuizing’ wat, zoals ik eerder al schreef, aannemersjargon is voor “nadat het project is opgeleverd en in gebruik genomen”. Iedere bouwvakker had dat onze raadsleden kunnen vertellen. Ik heb er meermalen op gewezen, maar liever luisteren ze naar de wethouder, die vindt, dat alles wat ik hierover schrijf rommel is.

Geen enkel raadslid heeft de term (na inhuizing) ooit ter sprake gebracht.

Ik betwijfel zelfs of er ook maar één raadslid de moeite heeft genomen om die offerte te bestuderen.

In dat geval zou het ze duidelijk moeten zijn geworden dat de kosten van verzwaring nooit hoger konden zijn geweest dan de € 30.000,- die in het laatste raadsvoorstel werd genoemd. En als dat de kosten van de verzwaring waren, waarvoor is dan het restant bedrag bedoeld dat men de aannemer wil betalen? Voor de gebruikerswensen wellicht? Maar waarom wordt dat dan niet in de brief, noch in het raadsvoorstel vermeld?

Uiteraard heb ik dat de aannemer ook zelf gevraagd, maar daarop heeft hij geen antwoord willen geven. Logisch want het college houdt naar de raad toe nog steeds vol dat het hele overeengekomen bedrag bestaat uit kosten voor de verzwaring en men waakt er voor elkaar niet tegen te spreken.

Uiteraard heb ik de aannemer ook gevraagd waarom hij, een jaar na dato, nog steeds geen factuur heeft gestuurd? Sterker nog, waarom hij aan de gemeente vraagt wanneer hij nu eindelijk eens een factuur mag sturen?  Ook geen antwoord.

Dus waarom heeft de aannemer nooit een factuur verstuurd na het voltooien van zijn werkzaamheden? Ik neem aan, omdat hij beseft dat het versturen van een factuur die geen waarheidsgetrouwe weergave is van de uitgevoerde werkzaamheden, neerkomt op frauduleus handelen.

Dat hij dat doet met instemming en voorkennis van degenen die de instantie (die hij wil frauderen) vertegenwoordigen maakt dat niet anders.

Ziezo, het hoge woord is er uit, het vermoeden van een poging tot fraude. Uiteraard is de gemeenteraad niet competent genoeg om een dergelijk vermoeden op verantwoorde wijze af te handelen. Daarvoor zijn bevoegde instanties, zoals het OM en een rechter die uiteindelijk moet oordelen of dat vermoeden juist is.

Maar eerst moet dat vermoeden dus kenbaar worden gemaakt aan de bevoegde instanties. De raad kan dat doen, als daarvoor een meerderheid van stemmen is,  maar ook individuele raadsleden kunnen dat doen als zij over voldoende moed beschikken. Maar als dat laatste niet het geval is (en de kans daarop is vrij groot) dan kunnen zelfs gewone burgers hun vermoeden uitspreken tegenover de bevoegde instanties.

Is het niet de plicht van elke burger dat, wanneer hij het vermoeden heeft van strafbare feiten, hij de bevoegde instanties daar van op de hoogte stelt? En wanneer worden we medeplichtig aan strafbare feiten, als we die willens en wetens verzwijgen voor diezelfde bevoegde instanties?

Zoals daar zijn, het OM of de Commissaris van de Koning in onze provincie.

Dat lijkt me een behoorlijk dilemma voor de raad.

Het was aan de aannemer om (door middel van zijn brief) dat vermoeden weg te nemen, maar dat is hem niet gelukt. Het is hetzelfde omfloerste geneuzel dat we gewend zijn uit ambtelijke kringen. Je zou denken dat iemand die al anderhalf jaar op zijn geld zit te wachten op zijn minst wat stoom afblaast en luid en duidelijk zijn ongenoegen kenbaar maakt. Maar niks daarvan. Bijna nederig vraagt hij de raad of ze hem het geld willen geven.

Je zou bijna denken, dat het concept van deze brief afkomstig is uit de ambtelijke organisatie.

Het is ook aan het college om dat vermoeden weg te nemen, maar helaas, ze hebben uit efficiëntie overwegingen geen aantekeningen gemaakt en die ze wel hebben gemaakt hebben ze inmiddels weggegooid. Althans, dat hebben ze tot dusver beweerd.

Ik heb op dit blog diverse keren berekeningen uitgevoerd. Geen raadslid die ze heeft aangevochten. Mocht U het ingewikkelde berekeningen  vinden, bedenk dan dat het college dat allemaal uit het hoofd heeft gedaan en dat er daarom niets van op papier staat.

Hoe ga je verder met een college dat het vermoeden op zich heeft geladen te frauderen? Ik hoef daar gelukkig geen antwoord op te geven. Dat is aan de raad en met een beetje geluk weten we over een week wat hun antwoord daarop is. Maar het kan natuurlijk ook zo zijn dat ze naarstig op zoek gaan naar een uitvlucht die hun in staat stelt niets te hoeven doen.

Dat heb ik al eerder meegemaakt in het Drommedaris dossier.

Brief

Gemeenteraad_Enkhuizen_internetEn daar is hij dan eindelijk. De brief van Hillen & Roosen waarmee men de raad alsnog wil overhalen hem de € 60.000,- te betalen, zoals hij die met de gemeente was overeengekomen.

Ik neem aan dat de inhoud ervan eerst is voorgelegd aan de gemeente, zoals de gemeente de inhoud van het raadsvoorstel eerst heeft voorgelegd aan Hillen & Roosen.  We hebben hier namelijk te maken met twee handen op één buik.

Maar hoe omzichtig de schrijver van de brief het ook omschrijft, het is duidelijk dat de vertegenwoordigers van de aannemer (Verhulst en Schuijt) en vertegenwoordigers van de gemeente (Slagter en Conijn) op 11 maart een (mondelinge) overeenkomst hebben gesloten.

In ruil voor een  opdracht ter waarde van € 86.757,- (en niet € 100.00,- zoals de gemeente tot het laatst aan toe blijft beweren) heeft de aannemer de verzwaring ter hand genomen. In een bouwvergadering (waar wel notulen worden gemaakt) wordt de deal als volgt omschreven:

De vertragingsclaim die Hillen en Roosen bij de gemeente heeft gelegd is van de baan.

Dhr Slachter heeft blijkbaar de aannemer een aanvullende opdracht thv ca €100.000,- gegeven voor het uitvoeren van het verzwaren van het elektriciteitsnetwerk. Dit werk is reeds uitgevoerd.

JS en PC geven aan dat dmv deze deal alles financieel is afgerond door Dhr Fred Peters en Jan Slachter.

Dus niks eigen rekening en risico, gewoon een mondelinge opdracht,  waarbij de aannemer de verzwaring zou uitvoeren en daar (met instemming van de gemeente) een veelvoud van de werkelijke kosten voor betaald zou krijgen. 

De gemeente heeft er mee ingestemd dat het werk zou worden uitgevoerd. Ze heeft er ook gewoon toezicht op gehouden (de vraag daarover op Agora is ook bevestigend beantwoord). Alles wat van der Pijll daarover tijdens de raadsvergadering heeft opgemerkt is niet meer dan duimzuigerij in het kwadraat.

Dat veelvoud van de kosten (voor verzwaring) kan verklaard worden door het feit dat het geschil tussen gemeente en stichting voor vertraging had gezorgd en de aannemer die vertraging gecompenseerd wilde zien. Iets waar de gemeente het kennelijk mee eens was en (tegen de wens van de architect) mee akkoord is gegaan.

Ook het geneuzel over een “morele” verplichting is daarmee van de baan. Een mondelinge overeenkomst is evenzeer een overeenkomst als een schriftelijke. Er is ook verder niets mis met die overeenkomst behalve de manier waarop beide partijen daar uitdrukking aan hebben willen geven.

De aannemer met behulp van een valse offerte en de gemeente door diezelfde valse offerte te gebruiken om de raad om een krediet te vragen. Waarom het een valse offerte is heb ik al eerder omschreven.

De daarin genoemde bouwkosten zijn gebaseerd op een uitvoeringstijd van 4 weken en zijn ook gebaseerd op realisatie na inhuizing. In werkelijkheid duurde de uitvoering net een week en was ze voor inhuizing gerealiseerd.

Zowel aannemer als gemeente proberen nog steeds de raad voor te liegen over wat ze destijds hebben afgesproken.

Over een paar dagen weten we of de raad verstoppertje blijft spelen en daar genoegen mee blijft nemen.

Zwart op wit

ivo1
Voorbeeld

Dinsdagavond vergaderde de commissie Grondgebied. Prima gelegenheid voor wethouder Olierook om zijn Yvo Opstelten imitatie te demonstreren.

Evenals zijn grote voorbeeld waren er volgens Olierook geen bonnetjes, geen schriftelijke communicatie met wie dan ook, behalve als het een bevestiging inhield van zijn breed uitgedragen standpunt dat de aannemer voor eigen rekening en risico werkzaamheden ter waarde van € 100.000,- had uitgevoerd, omdat hij vreesde dat anders zijn goede naam ten grabbel zou worden gegooid.

Dit alles was waar, ehhh, omdat de wethouder zei dat het waar was en hij dat bovendien al eerder had gezegd. Heerlijke vorm van logica. Ik heb eerder hetzelfde gezegd, dus moet wat ik toen gezegd heb en nu herhaal, waar zijn.

Tijdens de discussie over dit onderwerp deed zich een verschijnsel voor dat ik niet eerder in de raad had opgemerkt.

De raad splitste zich in twee verschillende fracties. Enerzijds de gevestigde politieke orde, zoals zij wordt vertegenwoordigd door de landelijke partijen als SP, VVD, D66, PvdA, CDA en CU/SGP, die niet of nauwelijks belangstelling hadden voor het waarheidsgehalte van hetgeen er door Olierook werd beweerd.

En anderzijds de vier lokale éénpitters (Nieuw Enkhuizen, HEA, lijst Quasten en lijst Van de Pijll) die ieder vanuit hun eigen invalshoek grote twijfel uitspraken over datgene wat wethouder Olierook naar voren bracht.

Het is een opvallende scheiding der geesten. De gevestigde politieke orde (totaal 13 zetels) die er alles aan gelegen is de waarheid over de gang van zaken toe te dekken en een kleine groep individuele raadsleden (met uiteenlopende politieke opvattingen) die probeert de waarheid boven tafel te krijgen.

Ik schreef al eerder dat het hier niet om een incident gaat maar om een wezenlijk onderdeel van de Enkhuizer bestuurscultuur.

Voor de gevestigde politieke orde is list en bedrog kennelijk een aanvaardbaar onderdeel  van het bestuurlijke instrumentarium. Waarschijnlijk is dat ook de reden waarom zij hun informatie aan de kiezers tot een minimum beperken.

Alleen de lokale partijen zijn nog niet zover. Omdat de (ook lokale) democratie alleen maar naar behoren kan functioneren als de waarheid uitgangspunt vormt voor haar doen en laten zal ik, om wille van die democratie, proberen een steentje bij te dragen.

Ik deed dat eerder al met behulp van een zestal beschouwingen waarin ik beargumenteerde waarom hetgeen Olierook beweerde, niet waar kon zijn.

Het is me nu duidelijk dat ik een stap verder moet gaan. Namelijk door (met een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur) inzage te vragen in de correspondentie die er tussen de gemeente en de diverse partijen over dit onderwerp is gevoerd.

Ik weet dat Olierook tot dusver beweert dat die er niet is, maar dat was ook het geval met zijn grote voorbeeld Yvo Opstelten en ik wil die bewering graag zwart op wit zien.