Het Peter Principe

peterprincipeIn 1969 formuleerde dr. Laurence J. Peter een verklaring voor het feit dat ook vandaag nog dingen verschrikkelijk verkeerd kunnen gaan. Het barst van hoogopgeleide deskundigen, maar tegelijkertijd is er geen dag zonder debacle. Dr. Peter kwam met de revolutionaire verklaring dat mensen in een hiërarchische organisatie net zo lang worden gepromoveerd naar een hogere functie, totdat ze niet langer in staat blijken om te voldoen aan de eisen die de nieuwe functie aan hen stelt.

In de terminologie van dr. Peter heeft de betreffende functionaris dan zijn niveau van incompetentie bereikt en komt hij niet langer in aanmerking voor promotie. Dr. Peter observeert vervolgens, dat grote groepen leidinggevenden hun incompetentieniveau hebben bereikt en dat ze (om die reden) niet langer in staat zijn om het werk te doen dat deel uitmaakt van hun (nieuwe) functie.

In plaats daarvan ontwikkelen ze allerlei verdedigingsmechanismen waarachter ze hun incompetentie proberen te verbergen. Peter beschrijft er een aantal in zijn boekje “Het Peter Principe”. Hoewel de voorbeelden die hij geeft hilarisch zijn en het jargon semi wetenschappelijk, blijft toch het gevoel knagen dat hij wel degelijk een punt heeft en dat veel leidinggevenden nogal wat moeite hebben met het geven van leiding.

Waardoor het gevoel zich opdringt, dat de laatste promotie beter niet had kunnen plaatsvinden.

Neem bijvoorbeeld oud burgemeester Ivo Opstelten. Door Rutte beloond voor zijn loyaliteit en gepromoveerd tot minister van Justitie. Alleen, in de functie van burgemeester had hij van doen met raadsleden die naar hem opkeken en zijn platitudes aanzagen voor diepere wijsheden. Een zelfde soort van aanzien gold ook zijn collega burgemeester uit Amsterdam (Job Cohen) die zich liet promoveren tot partijleider. Beiden vertoonden een onthutsend gebrek aan feitenkennis  en gingen eindelijk genadeloos onderuit toen ze niet langer te doen hadden met begripvolle raadsleden en serviele ambtenaren, maar geconfronteerd werden met de slangenkuil die Tweede Kamer heet.

In de terminologie van Dr. Peter hadden ze (met hun laatste promotie) hun niveau van incompetentie bereikt. De vraag is nu, kan het Peter Principe ook worden toegepast op de gang van zaken rond de SED.

Aan leidinggevenden geen gebrek. Het bestuur bestaat uit burgemeesters en wethouders. De dagelijkse leiding bestaat uit een triumviraat van gemeente-secretarissen, wiens taak het is om de ambtelijke organisatie van hun gemeente aan te sturen, maar nu geacht werden hetzelfde te doen voor de nieuwe (aanzienlijk grotere) organisatie.

Feit is dat ze daarin jammerlijk hebben gefaald.

Waarschijnlijk omdat die nieuwe taak eisen aan hen stelde waar ze niet aan konden voldoen. Dat had uiteraard veel eerder opgemerkt moeten worden door het bestuur van die nieuwe organisatie, maar klaarblijkelijk had die ook geen benul hoe je zo’n nieuwe (en drie keer grotere) organisatie moest aansturen.

Alles wijst er dan ook op dat zowel bestuur als directie hun incompetentieniveau hebben bereikt.

Wat gebeurt er als leidinggevenden hun incompetentieniveau hebben bereikt? Gaan die weg om plaats te maken voor nieuwe leidinggevenden die wel competent zijn? Helaas niet, dat gebeurt alleen bij niet leidinggevenden.

In geval van leidinggevenden worden er nieuwe werknemers aangetrokken, waarvan men hoopt dat die wel competent zullen zijn. Voor de bestaande leidinggevenden worden er functies gecreëerd (met behoud van titel en salaris) die weinig kwaad kunnen aanrichten. Peter spreekt in dat geval van een laterale arabesk of zijdelingse promotie.

Het zijn dit soort van taalkundige vondsten die het bestuderen van het Peter Principe tot een waar genoegen maken.

Het feit, dat burgemeester Baas niet langer deel uitmaakt van het dagelijks bestuur van de SED (nu overgedragen aan wethouder  Struijlaart) zou je kunnen opvatten als een zijdelingse promotie van Baas. Kennelijk is de raad van mening, dat Baas (met de  portefeuille financiën) veel minder schade kan veroorzaken dan met zijn voormalige portefeuille “Personeel en Organisatie”.

Of de bemoeienissen van Struijlaart met “P&O” het gewenste effect zullen hebben moet worden afgewacht.

Ik ben benieuwd of de twee andere gemeentes ook schoon schip zullen maken (en zijdelingse promoties in gang zetten) of dat men domweg het geld ter beschikking stelt waarom wordt gevraagd.  Ik denk dat het laatste het geval zal zijn, maar binnenkort zullen we het zeker weten.

Advertenties

Gekakel en gefladder

Kwaliteit?
Kwaliteit?

In de krant vandaag lees ik dat raadslid Reijswoud (VVD) gisteravond (tijdens de raadsvergadering) besloten heeft om de knuppel maar eens in het hoederhok te gooien. Met als resultaat een hoop kabaal (in de vorm van getok, gekakel en gefladder) bij de rest van het pluimvee.

Volgens de krant heeft van Reijswoud gezegd,

“Met wethouder Olierook zijn we het inhoudelijk niet al te vaak eens, maar we zien wel een wethouder die opkomt voor de belangen van Enkhuizen en die regionaal actief is. Wijnne is een wethouder die af en toe wat voorleest, discussie uit de weg gaat en die onderwerpen die de raad aangaan, bestempelt als interne zaken van het college’’.

Daar valt (wat mij betreft) niet zoveel op af te dingen. Olierook is inderdaad de enige wethouder waarbij je het gevoel krijgt dat hij (vanuit een bepaalde visie) zijn stempel drukt op de ambtelijke organisatie. Je kunt het met die visie eens zijn of niet, maar voor de verve waarmee hij die visie weet te verdedigen kun je alleen maar respect hebben.

Voor de overige drie wethouders geldt hoofdzakelijk dat zij acteren als woordvoerder van het deel van de ambtelijke organisatie waar zij verantwoordelijk voor zijn.

Je zou dat ook een kwaliteit kunnen noemen, maar dan neem je het begrip wel erg ruim.

Het is ieder geval geen kwaliteit waarvoor je buiten de stadsgrenzen moet zoeken om die te vinden.

Geen blad voor de mond
Geen blad voor de mond

Uiteraard zal er binnenskamers nog het nodige worden nagekakeld over het optreden van Reijswoud, maar laat ik proberen hem een riem onder het hart te steken.

In het verleden werden politici als Marcus Bakker (CPN), van der Spek (PSP) en zelfs boer Koekkoek door hun tijdgenoten verguist vanwege het feit dat ze geen blad voor de mond namen.

Wie die tijdgenoten waren weet ik allang niet meer, alleen die drie Kamerleden kan ik me nog herinneren.

Meer recente voorbeelden zijn natuurlijk Pim Fortuyn en Geert Wilders. Ook zij namen/nemen geen blad voor de mond. Tot ergernis van velen (vanuit de opvatting dat je meer vliegen vangt met stroop dan met azijn). Over 20 jaar zijn ook al die stroopsmeerders weer vergeten.

Kennelijk schijn je je alleen maar positief te mogen uitlaten over de kwaliteiten van bestuurders, maar dat leidt alleen maar tot ongelukken. Cohen en van Opstelten werden alom geprezen als burgemeester, maar faalden jammerlijk in de functie die zij vervolgens ambieerden.

Volgens de aanhangers van het Peterprincipe (zoals ikzelf) geen verrassende ontwikkeling. De zucht naar promotie eindigt er (in het overgrote deel van de gevallen) uiteindelijk alleen maar toe, dat men zijn niveau van incompetentie bereikt.

Enfin, genoeg reden om de vergadering van gisteren maar eens af te luisteren. Wellicht hebben zich nog meer opmerkelijke zaken afgespeeld.

Peterprincipe

ENKHUIZERZAND (1)Het kostte de raad 5 jaar geleden nog geen half uur om te besluiten om € 550.000,- te onttrekken aan de exploitatie van het grondbedrijf om tot een verbeterde versie van het vlekkenplan van het recreatieoord te komen. Die € 200.000,- die nu gevraagd wordt  om een op concurrentie gerichte dialoog te voeren zal er dus ook wel komen.

Kortom, er is inmiddels driekwart miljoen uitgegeven aan de opwaardering van het recreatieoord, maar er is geen cijfermatige onderbouwing of de gestelde doelen ook maar enigszins realistisch zijn.

Wil het vakantiehuisjesplan gerealiseerd worden dan zal de bestaande camping verplaatst moeten worden, maar het ontbreekt aan een betrouwbare indicatie over de kosten van zo’n verplaatsing.

De strandfunctie moet worden verbetert, maar ook hier geen enkele indicatie van de kosten. Alleen complexe constructies waarbij de gemeente de grond gratis ter beschikking stelt aan een projectontwikkelaar en van hem gevraagd wordt de kosten van (o.a.) de strandfunctie te betalen.

Projectontwikkelaars zijn gewoonlijk niet van de straat. Die vragen dus gewoon om een indicatie van de kostprijs van het verbeteren van  de strandfunctie bij een bedrijf dat daar in is gespecialiseerd.

Stel dat die kostprijs 1 miljoen is, dan wil dat dus zeggen dat je bij 200 woningen al op een kavelprijs zit van 5000 euro. Tel daar bij op de kosten van het bouwrijp maken van de grond en de verplaatsingskosten van de camping en je komt tot een totale kavelprijs.

peter principeVoor de verplaatsingskosten geldt het zelfde. Het moet toch niet al te moeilijk zijn om een bedrijf als de Grondmij een indicatie te vragen van de kosten voor het inrichten van een camping terrein. Maar nee dat gebeurt niet. Het vormt een van die vele losse eindjes die tijdens de op concurrentie gerichte dialoog die zal moeten worden vastgeknoopt.

In plaats van zelf indicaties op te vragen en enig rekenwerk te verrichten, wordt er dat uitbesteed aan deelnemende bedrijven, die dat uiteraard niet gratis zullen doen. Wel wordt er een ingewikkelde matrix opgesteld waarmee de diverse aanbiedingen kunnen worden vergeleken.

Maar het zou dus zo maar kunnen, dat we tijdens die dialoog tot de ontdekking komen dat al die plannenmakerij (financieel gezien) volstrekt onrealistisch is en dat we dus driekwart miljoen hebben uitgegeven aan onhaalbare plannen.

De pot waaruit de opwaardering gefinancierd had moeten worden (exploitatie grondbedrijf) is in middels leeg, dus daar staan we dan.peter principle

Lijkt allemaal verdacht veel op het SMC en de brede school. Mooie plannen, eindresultaat nul. Bij het SMC en de brede school wordt nog de illusie gewekt  dat de kosten van die plannenmakerij kan worden verhaald op derden,

Bij het REZ zal het precies het omgekeerde gelden. De deelnemers aan de op competitie gerichte dialoog zullen de kosten van hun rekenwerk gewoon bij de gemeente indienen.

Misschien wordt het voor de leden van de raad toch eens tijd dat ze zich gaan verdiepen in de uitgangspunten van het Peterprincipe.

Tweedehands versies van dit standaardwerk zijn nog steeds verkrijgbaar bij Bol.com of in de originele Engelse versie, bij Amazon.

Reuze gezellig

Terwijl links en rechts bedrijven failliet gaan en personeel wordt ontslagen, nemen onze bureaucratische instellingen naar hartenlust nieuw personeel aan om de werkdruk wat te verlichten.

Enkhuizen heeft net € 280.000,- uitgetrokken om het apparaat efficiënter te laten werken, maar tegen de tijd dat dit een besparing zou moeten opleveren (2015) bestaat het apparaat in zijn huidige vorm al niet meer, omdat het is opgegaan in een geheel nieuw centraal ambtelijk apparaat.

Het zal dus altijd een geheim blijven of de besparingen van € 350.000,- (waarmee de investering van € 280.000,- is losgeweekt) ooit zullen worden gerealiseerd.

Dat nieuwe centrale ambtelijke apparaat komt er natuurlijk niet zomaar, er zal moeten worden geïnvesteerd in het vergadercircuit dat in gang zal worden gezet.

In de ontwerpfase worden de kosten begroot op € 300.000,- te delen door de drie gemeenten. De actuele samensmelting wordt geschat op nog eens € 600.000,-

En dan hebben we het natuurlijk niet over de kosten van centrale huisvesting, wat vroeg of laat aan de orde zal worden gesteld, of de eisen die het personeel gaat stellen teneinde hun medewerking te verlenen aan de hele operatie.

Het treurige lot van elke ambtelijke organisatie is natuurlijk, dat op basis van het Peter Principe, de top van zo’n organisatie volstroomt met lieden die hun  incompetentieniveau hebben bereikt en dus geen nuttige bijdrage meer kunnen leveren aan het doel waarvoor de organisatie was opgericht.

Hierdoor ontstaan er twee problemen. Binnen een bureaucratische organisatie zijn er te weinig mensen die in staat zijn het werk te doen dat door de buitenwereld van die organisatie wordt verwacht, terwijl er tegelijkertijd een nuttige dagbesteding dient te worden gevonden voor degenen die wel deel uitmaken van de organisatie (en daar geen nuttige bijdrage meer aan leveren), maar gezien hun onaantastbare arbeidsvoorwaarden daar niet uit kunnen worden ontslagen.

De ultieme oplossing voor beide problemen is reorganisatie.

Het overtollige personeel gaat zich nu bezig houden met een reorganisatie van de het geheel en maakt op die manier de weg vrij voor nieuw personeel, dat wél een nuttige bijdrage kan leveren aan de organisatie, wat een tijdelijke verlichting voor die organisatie met zich brengt.

Omdat het overtollige personeel uiteraard nooit zichzelf weg reorganiseert, is het uit eindelijke resultaat dat de kosten voor de nieuwe organisatie altijd weer hoger zijn dan de kosten van de oorspronkelijke organisatie.

Hetgeen gewoonlijk wordt verklaard vanuit het feit dat de “dienstverlening” is verbeterd.

Enfin, aanstaande maandagavond vergadert de commissie BOFS onder de bezielende leiding van voorzitter Stomp over dit onderwerp, dus het kan zo maar weer eens reuze gezellig worden .

Geen antwoord

Naast de fracties die hun bezorgdheid uitspraken over de vraag of door procesoptimalisatie het te bezuinigen bedrag wel gehaald zou worden, waren er fracties die zich afvroegen of het te investeren bedrag (€ 280.000,-) niet aan de hoge kant was.

Stella Quasten kwam met de revolutionaire gedachte, dat een organisatie zodanig te organiseren dat zij op efficiënte wijze haar werk doet tot het normale takenpakket van de leidinggevende van die organisatie zou moeten behoren.

Er zijn zelfs bijscholing-budgeten beschikbaar om een mogelijke kennisachterstand bij betrokkenen leidinggevenden op te heffen.

Bovendien waren de resultaten van een eerdere  reorganisatieproject (ook met behulp van externe deskundigen) nog onvoldoende duidelijk.

Inderdaad wordt met het voorstel de indruk gewekt, dat (in Enkhuizen) leidinggeven een aan ambtelijke organisatie voornamelijk bestaat uit het bestuderen (en daarover vergaderen) van de brochures die adviesbureaus rondsturen.

Raven (PvdA), die wat onderzoek had gedaan op het internet en daar had vastgesteld dat cursussen over “LEAN management” werden aangeboden voor circa € 800,- per persoon, sprak eveneens zijn twijfel uit over het door het college gevraagde bedrag.

Burgemeester Baas ging uiteraard niet op beide argumenten in. Hij verwees naar een bezuinigingsinvestering van het Volkwagenconcern dat hij ergens had gelezen.

Hoewel hij kort daarvoor had laten weten dat het college nooit een mening uitsprak over berichten die in de media verschenen, meende hij kennelijk dat deze kwestie belangrijk genoeg was om er van af te wijken en leek hem deze vergelijking wel gepast.

Ook zette hij de raadsleden onder druk door te stellen, dat als ze dit krediet niet zouden goedkeuren, de besparing niet zou doorgaan en dan de Raad aan zet was om elders bezuinigingen (subsidies voor verenigingen bijvoorbeeld) te realiseren. Een slikken of stikken argument dus.

Je moet maar durven. Dat ambtelijke organisaties weinig efficiënt werken is in brede lagen van de bevolking al jarenlang bekend, maar door de leidinggevenden van die organisaties altijd ontkend.

Enerzijds mogen we blij zijn dat dit niet langer wordt ontkend. Anderzijds blijft de vraag of de aanschaf van “LEAN management”  daarvoor de geijkte oplossing is en dat er voor € 280.000,- aan externe deskundigen moeten worden ingevlogen om te bewerkstelligen dat men in de toekomst efficiënter gaat werken.

LEAN management zal uiteindelijke een besparing van zo’n 7 tal arbeidsplaatsen opleveren.  Volgens de burgemeester Baas zal dat niet het gevolg zijn van gedwongen ontslag, maar van natuurlijk verloop.

Feitelijk bespaart men dus niets, maar probeert men slechts de gevolgen van natuurlijk verloop te minimaliseren door efficiënter te gaan werken.

Een nobel streven, waarvan je zou hopen dat het binnen de capaciteiten van de reeds aanwezige leidinggevenden zou liggen, maar dat is klaarblijkelijk niet het geval.  En dat wijst dan weer op een vrij gebruikelijke consequentie van het Peterprincipe, waar volgens mij ook LEAN management geen antwoord op vormt.

Incompetentieniveau

Met zijn in 1969 verschenen Peter Principe ( met als ondertitel “waarom alles altijd verkeerd gaat”) introduceert prof Lawrence J Peter een geheel nieuwe tak van wetenschap “hiearchiologie” en schept hij met behulp daarvan een nieuwe terminologie om verschijnselen (die ons allen bekend zijn) te beschrijven.

Hiearchiologie beschrijft de gang van zaken in een langs  hiërarchische lijnen georganiseerde organisatie. Dat geldt in vrijwel alle gevallen voor de overheid, maar ook in veel gevallen voor het particuliere bedrijfsleven.

Het uitgangspunt voor zijn wetenschap is simpel.

Iedereen die voldoet in de functie die hij uitoefent (competent is) komt in aanmerking voor promotie.

Dit proces blijft doorgaan tot het moment dat men niet langer de functie die men bekleed naar wens vervult. Vanaf dat moment wordt men van verdere promotie uitgesloten. In de hiearchiologische terminologie heet het dan, dat men dan zijn “incompetentieniveau” heeft bereikt.

De betrokkene is vanaf dat moment niet langer in staat om een nuttige bijdrage te leveren aan de organisatie waar hij deel van uitmaakt.

Hoeveel leidinggevenden binnen hun organisatie hun incompetentieniveau hebben bereikt is nog maar weinig onderzocht. Dit zal te maken hebben met het feit dat alleen leidinggevenden opdracht tot een dergelijk onderzoek kunnen geven.

Op basis van schattingen gaat men er van uit, dat in het particuliere bedrijfsleven een kwart van de leidinggevenden als gevolg van hun laatste promotie hun incompetentieniveau hebben bereikt.

Bij de overheid is dat percentage (vanwege de uitstekende ontslagbescherming) aanzienlijk hoger en wordt het geschat op op 50%. Het gaat uiteraard niet alleen om incompetentie op topniveau. Incompetentie kan zich op elk niveau binnen een organisatie voordoen.

De meest logische oplossing voor dit probleem zou zijn de laatste promotie ongedaan te maken en de betrokkenen terug te plaatsen naar de functie waarin hij nog wel competent was.

Maar omdat een promotie gewoonlijk gepaard gaat met een betere financiële beloning verzetten de meeste betrokkenen zich daartegen en wordt de laterale arabesk als lapmiddel toegepast.

Een laterale arabesk (ook wel bekend als horizontale promotie)  houdt in dat de betrokkene met behoud van salaris en titel overgeplaatst wordt naar een deel van de organisatie waar hij minder schade aan kan richten en zijn plaats kan worden ingenomen door iemand die wel competent is voor de functie die hij dient te vervullen.

Uiteraard meent de incompetente leidinggevende dat het niet functioneren van het onderdeel van de organisatie (waar hij verantwoordelijk voor is) onmogelijk het gevolg kan zijn van zijn eigen incompetentie. Liever klampt hij zich vast aan de gedachte, dat als hij de organisatie zou  kunnen veranderen hij (als bij toverslag) weer in staat zou zijn om als competent leidinggevende te functioneren.

Dank zij deze veel voorkomende illusie bij incompetente leidinggevenden hebben organisatie/managementadviesbureaus de laatste jaren een stormachtige groei doorgemaakt.

Omdat deze bureau’s zich hoofdzakelijk concentreren op incompetentie op lagere niveau’s en incompetentie op hoger niveau’s (hun feitelijke opdrachtgever) ongemoeid laten zijn de effecten van hun inmenging te verwaarlozen.

Wanneer een organisatie voortdurend een beroep moet doen op externe deskundigen, dan vloeit dat meestal voort uit het feit dat een meerderheid van degenen die leiding geven aan die organisatie hun incompetentieniveau hebben bereikt.

 

Omgekeerd evenredig

Moesten we het in het verleden doen met flinterdunne boekjes als “Het  Peterprincipe  en “De wet van Parkinson” om enig inzicht te verkrijgen in het doen en laten van ambtelijke organisaties, tegenwoordig wordt dit soort kennis verspreid door heuse bureaus die daarvoor astronomische prijzen in rekening te brengen.

Zo staat de gemeente Enkhuizen op het punt om € 280.000,- uit te geven om zichzelf de fijnere kneepjes van het LEAN management bij te brengen. 

Het bureau dat dit denkt te kunnen bewerkstelligen heet ODINTAKT en doet op haar website verbluffende uitspraken.

Zoals “de doorlooptijd van gemeentelijke subsidieaanvragen terug brengen van ruim 1 jaar naar 1 maand.

Maar ook “Middelgrote organisatie: tijdsbesteding contractenadministratie gehalveerd en 50% minder fouten.”

Beide voorspellingen maken natuurlijk gehakt van de sprookjes die ons altijd worden voorgehouden, namelijk dat de ambtelijke organisatie een geoliede machine is die zich op soepele wijze van haar taken kwijt.

De gewone burger weet al sinds jaar en dag dat dit niet het geval is en dat de door het management voorgestelde “bezuinigingen” (zoals het opheffen van de gemeentelijke buitendienst) geen enkele aantoonbare bezuiniging heeft opgeleverd en alleen maar nieuwe en andere verspillingen (door de managementlaag) binnen het bereik heeft gebracht.

De belangrijkste doelstelling van elke bureaucratie is immers om (kost wat het kost) de eigenwerkgelegenheid in stand te houden. Gaat het nieuw aan te kopen “LEAN Management” daar verandering in brengen? Ik vrees van niet.

Zo wordt er voor 2 jaar wordt er een tijdelijke procesmanager aangesteld ten koste van € 130.000,- die klaarblijkelijk moet kunnen doen waar het bestaande management niet toe in staat is gebleken (Peterprincipe) en wat er waarschijnlijk op neer zal komen dat men oude wijn in nieuwe zakken gaat doen.

Want als gezegd, elke bureaucratische organisatie ziet het als zijn voornaamste taak zichzelf in stand te houden en de “oplossingen” die men voor zichzelf bedenkt resulteren gewoonlijk in meer (en beter betaald) werk voor henzelf.

Nu is € 280.000,- best wel veel geld om aan je eigen kwaaltjes te besteden, dus ben ik benieuwd hoeveel aandacht onze politieke partijen er aan zullen geven. Maar waarschijnlijk is ook hier Parkinson’s observatie van toepassing.

De hoeveelheid tijd en aandacht die aan een onderwerp zal worden besteed is omgekeerd evenredig aan het belang van dat onderwerp en de financiële gevolgen die er aan zijn verbonden.