Recht of Gunst?

Op 5 juni van dit jaar stelde ik in het kader van de Wet Openbaarheid Bestuur een aantal vragen. Volgens de wet dienen die binnen vier weken beantwoord te worden, met een mogelijkheid van verlenging met nog eens vier weken. Inmiddels zijn we 16 weken verder, het dubbele van de termijn die in de wet is bepaald, zonder dat er (op welke vraag dan ook) een  antwoord is ontvangen.

Ging het wellicht om bijzonder ingewikkelde vragen? Niet echt. De eerste vraag betrof de samenstelling van de beoordelingscommissie. De tweede vraag betrof de inhoud van het “positieve” advies, dat door die commissie was uitgebracht en dat vervolgens door het college was overgenomen.

Dat je 16 weken nodig hebt om de samenstelling van een commissie openbaar te maken is niet meer geloofwaardig. Hetzelfde geldt voor het advies dat die commissie het college heeft gegeven.

Het ontbreken van deze twee antwoorden rechtvaardigt het vermoeden, dat de door het college te benoemen commissie niet bestaat, nooit bestaan heeft en dus ook nooit advies heeft gegeven.

Met als consequentie, dat het college niet handelde op gezag van een “onafhankelijke” (weliswaar door haarzelf benoemde) commissie, maar op eigen gezag. Het zou me niet verbazen als aan die werkwijze gevolgen zouden kleven, maar dat is van later zorg.

Waar het me in deze column om gaat, is het gemak waarmee B&W de bestaande wet en regelgeving inzake de Openbaarheid van Bestuur ter zijde schuift. En behandelt als ware het een, door het college te verlenen gunst, in plaats van een recht, dat ieder van ons toekomt.

Daarin overigens gesteund door het presidium. (inclusief haar voorzitter en griffier).

Op 3 augustus 2019 attendeerde ik het presidium (door middel van een open brief) op de onvolkomenheden bij de uitvoering van de WOB en met het verzoek het college daar op aan te spreken. Twee van  de negen raadsfracties hebben daarop gereageerd en contact met me opgenomen.

De overige 7 partijen (en de voorzitter en griffier) vonden het feit, of de gemeente zich bij haar uitvoerende taken houdt aan de daarvoor geldende wet en regelgeving, niet belangrijk genoeg om zich er over uit te laten.

Wat, gezien de bestuurscultuur in Enkhuizen, niet geheel als een verrassing kwam.

——————————————

Errata,

De oorspronkelijke versie bevatte 5 juli als datum waarop het verzoek werd ingediend, maar in deze versie gecorrigeerd in 5 juni.

List en bedrog.

Gisteren schreef ik dat de raad op 2 februari 2016 een besluit nam. Zonder dat het haar duidelijk was waar men, door het nemen van het besluit, voor of tegen was.

Tijd om wat dieper in te gaan op die merkwaardige gang van zaken. Allereerst de tekst van het besluit:

  1. Kennis te nemen van de resultaten van de gehouden enquête en interviews met betrekking tot de aanbesteding van het Recreatieoord Enkhuizer Zand (REZ);
  2. Kennis te nemen van de vervolgscenario’s met betrekking tot de voortzetting van het project REZ;
  3. Kennis te nemen van het risicodossier en de planning met betrekking tot de vervolgscenario’s voor de ontwikkeling van het project REZ;
  4. De wensen en bedenkingen kenbaar te maken met betrekking tot de keuze van voortzetting van het project REZ, conform het voorkeursscenario.

Van Marle en Van Reijswoud gaven een stemverklaring af, waarin ze lieten weten geen vertrouwen te hebben in de, door het college voorgestelde voortzetting met behulp van  scenario 1. [Het scenario, dat uiteindelijk toch is uitgevoerd onder instemmend geknik van de coalitiepartijen. SP, CDA, NE en CU/SGP.]

Daarop reageerde burgemeester Baas met de mededeling dat de raad geen besluit nam over het te volgen scenario. Dat was een uitvoeringsbevoegdheid van het college.

Voor Quasten voldoende reden om zich te onttrekken aan de discussie over het nog te nemen besluit.

Veel te vroeg naar mijn mening. Al behoort een voornemen tot de bevoegdheid van het college, dan nog kan de raad de uitvoering van dat voornemen verhinderen.

Weliswaar met behulp van een paardenmiddel (door het college naar huis te sturen als ze weigert rekening te houden met de wensen van de raad), maar de wil van het “volk” wint het in een echte democratie altijd van de wens van de bestuurders.

Dat het in de praktijk vaak anders lijkt komt voornamelijk door onkunde bij hen die het “volk” vertegenwoordigen en die hun handdoek voortijdig de ring in gooien.

Enfin, als de raad geen besluit nam over het scenario, waarover nam men dan wel een besluit? Het antwoord daarop ligt besloten in één van de overwegingen.

“dat de gemeenteraad op grond artikel 169, lid 4 van de Gemeentewet in de gelegenheid wordt gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen; “

De uitvoeringsbevoegdheid  van het college (bij het verkopen van grond) wordt in artikel 169.4 beperkt als er aan de verkoop ingrijpende gevolgen kleven. Het college is onder die omstandigheid verplicht om de raad in de gelegenheid te stellen wensen en bedenkingen tegen die verkoop kenbaar te maken.

Het is redelijk te veronderstellen dat uit contacten met de voorgestelde ontwikkelaar naar voren was gekomen, dat die de voorkeur gaf aan grondaankoop i.p.v. grondhuur. Ook als die 30 jaar lang zou worden kwijtgescholden.

Hoewel het college dus bevoegd was om de grond te verkopen, waren de gevolgen van die verkoop dermate ingrijpend, dat ze (voordat ze van haar bevoegdheid gebruik kon maken) VERPLICHT was de raad in staat te stellen om eventuele bedenkingen over die verkoop van de grond naar voren te brengen.

En zou het college die bezwaren niet serieus nemen, dan zou de raad in staat zijn om (door het vertrouwen in het college op te zeggen) de verkoop te verhinderen.

Aangezien die verplichting van het college nooit ter sprake werd gebracht, is het redelijk om te veronderstellen, dat de raad zich ook nooit van die verplichting bewust is geweest en men dus een stem uitbracht, zonder te weten waar men voor (of tegen) stemde. Komt wel vaker voor begrijp ik.

Kortom, zonder dat de raad het besefte, kwam het college een wettelijke verplichting na, die voortvloeide uit haar (niet tegenover de raad uitgesproken) voornemen om de grond op het REZ te  verkopen in plaats van in erfpacht uit te geven.

Voor de onwetendheid van de raad zou je begrip op kunnen brengen, ware het niet, dat je alleen maar “gemeentewet artikel 169” hoeft in te tikken op je (door de gemeente verstrekte) computer en je krijgt het betreffende artikel voor je neus getoverd.

Maar voor twee personen maak ik graag een uitzondering, omdat die uit hoofde van hun beroep zouden moeten weten waar 169.4 over ging.

Ten eerste de griffier, werknemer en adviseur van de raad. Het is naar mijn mening zijn taak om de raad te wijzen op de addertjes die onder het gras schuil gaan. Maar onder het besluit staat zijn naam: wil dat zeggen dat hij de adder eigenhandig onder het gras heeft verborgen?

Ten tweede Van Reijswoud, fractievoorzitter van de VVD en in het dagelijks leven de loco secretaris bij de gemeente Lelystad. Ook zijn kennis van de gemeentewet moet dusdanig zijn, dat hij geweten moet hebben, dat het college bezig was met een verkapte poging tot grondverkoop. Als hij dat niet door had, dan heb ik hem de afgelopen jaren toch te hoog ingeschat.

Samengevat, het college is (op aandringen van de ontwikkelaar) voornemens de grond op het REZ te verkopen in plaats van het 30 jaar lang erfpacht vrij aan te bieden. Zich er van bewust, dat er een wettelijke verplichting bestaat om de raad in staat te stellen tegen een dergelijk voornemen bezwaar te maken, verzwijgt men het voornemen en verbergt men de bezwaarmogelijkheid achter een reeks zienswijzen.

De bestuurscultuur in Enkhuizen is gebaseerd op geheimhouding en list en bedrog.

De enige die daar een eind aan kan maken is de gemeenteraad. Maar voor hen, meer nog dan voor “gewone” mensen, gelden de woorden van Mark Twain.

Het is makkelijker mensen te bedriegen dan ze er van te overtuigen dat ze zijn bedrogen.

===================================================

Voor de echt geïnteresseerden. Bovenstaande column is, net als de voorgaande column, gebaseerd op de notulen van de raadsvergadering van 2 februari 2016, die u hier kunt vinden.

Consequenties

Overigens ben ik niet de enige die van het college geen antwoord krijgt op vragen die betrekking hebben op het REZ.

Dat is ook het geval met de schriftelijke vragen die Wim Stolk en Margreet Keesman (SP) op 15 juli stelden. De verwachte datum van afdoening was 12 augustus. (4 weken)

We zijn inmiddels 10 dagen verder. De door de SP gestelde vragen kunt U hier lezen.

Omdat ik de beroerdste niet wil zijn, wil ik de SP best wel helpen bij het beantwoorden van hun laatste vraag.

Heeft het bestuur van de provincie Noord-Holland de bevoegdheid om een aanwijzing in deze te doen en zo ja, welke consequenties heeft dit dan?

Het antwoord op deze vraag is, dat het bestuur van de provincie de bevoegdheid tot het doen van een aanwijzing heeft en dat een consequentie daarvan kan zijn, dat de werking van het bestemmingsplan geheel (of gedeeltelijk) wordt uitgesteld.

Het heeft er alle schijn van, dat het college de raad het liefst zo lang mogelijk in het duister wil laten tasten voor wat betreft de consequenties van een eventuele goedkeuring van het voorgelegde bestemmingsplan.

Plichtsbesef.

De krant van j.l. donderdag maakt melding van het feit, dat de Enkhuizer raad in het duister tast waar het gaat om het nakomen van beloftes door het college.

Deze conclusie werd opgetekend uit de mond van fractievoorzitter Keesman van de SP naar aanleiding van een door de SP uitgevoerd onderzoek. Waarover men (tegenover de krant) nog geen uitspraken wil doen, omdat dit niet netjes (???) zou zijn.

In het bericht doet Keesman echter wel een opvallende uitspraak. Namelijk, dat het niet haar taak is (als raadslid) om bij te houden of het college haar toezeggingen en beloften aan de raad wel nakomt.

Ik vermoed dat een grote meerderheid van de raad daar net zo over denkt, maar vraag me vervolgens wel af, als vrijwel de gehele raad meent dat het er op toezien, dat gedane beloften worden nagekomen NIET tot het takenpakket van de raad behoort, wat behoort dan WÉL tot het takenpakket van de raad?

Consequentieloos (maar wel heel netjes) mee babbelen tijdens raadsvergaderingen over de voornemens van college en haar ambtenaren?

Deze nogal wereldvreemde houding van de Enkhuizer raad is me de afgelopen tien jaar natuurlijk niet ontgaan. Wat Keesman en consorten NIET zien als hun taak, zie ik als de primaire taak van de raad.

Namelijk, er op toezien dat college (en hun ambtenaren) de beloftes nakomen die ze hebben gedaan.

Het niet of nauwelijks vervullen van die taak door de raad heb ik (in het verleden) bij meerdere gelegenheden, plichtsverzuim van de raad genoemd. Plichtsverzuim, dat op haar beurt weer plichtsverzuim van het college uitlokt.

De problemen waar de Enkhuizer raad iedere keer weer mee worstelt, vloeien voort uit haar gemankeerde opvattingen over plichtsbesef. Waarbij het zichzelf ontslaan van elke verantwoordelijkheid (en vriendjespolitiek) het altijd winnen van plichtsbesef.

En dank zij het gemankeerde plichtsbesef van de Enkhuizer raad, is plichtsverzuim eerder regel dan uitzondering. Daar als individu op wijzen, zoals ik de afgelopen 10 jaar heb gedaan, heeft geen enkele zin. Pas als er een instantie is, die de raad wijst op haar plichtsverzuim is er een kans dat men zijn leven betert en men ook ernst gaat maken met het plichtsverzuim van het college.

Maar zo’n instantie komt er alleen als de kiezers daartoe besluiten en daar ziet het nog steeds niet naar uit.

[Onderstaande column schreef ik op verzoek van het NHD en werd op 11 juni 2016 geplaatst. Wat toen gold, geldt nog steeds. Drie jaar geleden voorspelde ik ook al de problemen rond het REZ]

Open brief

Hierbij mijn open brief aan de raad. De inhoud spreekt voor zich dunkt me.

——————————————————————-

Geachte leden van de raad,

Het zal u wellicht zijn ontgaan, maar sinds 1 oktober 2009 onderhoud ik een weblog waarin ik mijn observaties over de lokale politiek noteer. Mijn bedoeling is om daar dit jaar nog mee door te gaan, om daarna te proberen de afgelopen 10 jaar samen te vatten onder de noemer “10 jaar bestuurscultuur in Enkhuizen”.

In die 10 jaar heb ik vier keer een WOB verzoek gedaan.

  • Mij eerste verzoek betrof documenten die betrekking hadden op een compromis, dat was bereikt over de kosten van elektraverzwaring in de Drommedaris (tussen gemeente/aannemer en gemeente/stichtingsbestuur). Er bleek tussen gemeente en aannemer/stichtingsbestuur geen correspondentie te zijn gevoerd over de inhoud van het uiteindelijk bereikte compromis.
  • Mijn tweede verzoek betrof de toepassing van de onkostenvergoeding voor fracties. Helaas werden niet alle gevraagde documenten verstrekt. Uit de documenten die wel werden verstrekt bleek echter wel dat een flink aantal fracties zich niet aan de regelgeving had gehouden.
  • Mijn derde verzoek betrof de overeenkomst met de architect van de Drommedaris. Wederom ontbrak een essentieel document, dit keer aangaande de financiële afwikkeling.
  • M’n vierde verzoek betreft de overeenkomst die tussen de gemeente en Orez BV is gesloten. Een opsomming van de documenten waar ik tot dusver om heb gevraagd kunt U hier vinden. Inmiddels heeft de projectleider van het project, dat is afgerond in de zin dat de overeenkomst tussen gemeente en Orez een feit is, voor de tweede maal om uitstel gevraagd.

Dit alles heeft bij mij de indruk gewekt, dat het college van B&W van Enkhuizen (ongeacht haar samenstelling) zich er niet of nauwelijks om bekommert of de Wet Openbaarheid van Bestuur naar behoren wordt uitgevoerd.

Het leek me gepast om u, als toezichthouder van het college, daarvan op de hoogte te stellen. In de verwachting, dat u van de u gegeven bevoegdheden zodanig gebruik zult maken, dat toekomstige verzoeken op grond van de WOB wel efficiënt en naar behoren door de gemeente Enkhuizen zullen worden uitgevoerd.

Deze open brief is verstuurd naar de fractievoorzitters (presidium) in de verwachting dat zij een kopie ervan zullen doorsturen naar de overige leden van hun fractie en de commissieleden.

Daarnaast publiceer ik hem op mijn weblog.

met vriendelijke groet,

Chris Segerius

 

Bestuurscultuur.

Mijn eerste schrijfsels over de lokale politiek in Enkhuizen dateren van 1 oktober 2009. Tien jaar later is het totaal opgelopen tot bijna 2500 en met meer dan 9000 reacties op die schrijfsels.

Wat mij betreft een aardige database voor een boekje over 10 jaar bestuurscultuur in Enkhuizen. Met als hoogtepunten de realisatie van een Sociaal Medisch Centrum in de Vijzelstraat, de verbouwing van de Drommedaris en “last but not least” de herinrichting van het recreatieoord Enkhuizerzand.

Die herinrichting was (wat mij betreft) 10 jaar geleden begonnen met de aanschaf van de Uilenbanen en is negen jaar later (op 20 november 2018) afgerond met de ondertekening van de (met OREZ BV gesloten) anterieure overeenkomst.

Die overeenkomst bepaalt de wederzijdse verplichtingen die partijen ten opzichte van elkaar zijn aangegaan. Eén daarvan, de eigendomsoverdracht van grond, heeft inmiddels (door middel van die anterieure overeenkomst) plaatsgevonden, zonder dat de raad in de gelegenheid is gesteld haar bedenkingen kenbaar te maken. (art 169.4 gemeentewet).

Maar dat is niet het enige. Het college is er in geslaagd om, na jarenlange voorbereiding, met OREZ een plan overeen te komen, waartegen alle zogenaamde “stake-holders” in het gebied (SWL, ZZM, Strandpaviljoen, Campingbewoners) maar ook “gewone” gebruikers van het gebied, bezwaren hebben ingebracht.

Dat is in zichzelf een fenomenale prestatie, die wat mij betreft onlosmakelijk verbonden is met de bestuurscultuur die men Enkhuizen de afgelopen 10 jaar in stand heeft weten te houden. Sterker nog, die men sinds de verkiezingen van 2018 heeft “verbeterd” door het formeel afschaffen van de oppositie.

Daarmee zijn de onderlinge verhoudingen ongetwijfeld enorm verbeterd, maar het doel van een gemeenteraad is niet, om haar werkzaamheden (voor zichzelf) zo prettig en makkelijk mogelijk te maken, maar om op effectieve wijze toezicht te houden op het doen en laten van het college.

Als de kat van huis is.

Kort nadat ik met dit blog was begonnen (1-10-2009) speelde (rond de jaarwisseling) de kwestie rond de Uilenbanen waarbij werd voorgesteld om meer dan een half miljoen te betalen om zeggenschap te krijgen over grond die al in gemeentelijk eigendom was.

Om die zeggenschap drie maanden later uit handen te geven voor minder dan er men er (3 maanden eerder) voor had betaald.

Reden voor deze opmerkelijke transactie was, dat hierdoor een herschikking van het vlekkenplan mogelijk werd gemaakt die de aanleg van een vakantiepark dichterbij zou brengen.

Nu 10 jaar later zien we dat de gemeente circa 25 ha bouwgrond (inclusief vergunning) overhandigt aan een ontwikkelaar om daarmee de aanleg van een strand te bekostigen.

Opnieuw een opmerkelijke transactie, die (in theorie) rond de jaarwisseling moet zijn afgerond. De verantwoording voor beide transacties ligt bij twee totaal verschillende colleges. De architect voor beide transacties is één en dezelfde persoon die eind van dit jaar met pensioen gaat. Ik denk er goed aan te doen zijn voorbeeld te volgen.

De afgelopen 10 jaar zijn bijzonder leerzaam geweest. Zo heb ik geleerd, dat participatie van burgers niet op prijs wordt gesteld, tenzij die zich beperkt tot instemmend geknik.

Dat de raad er ook niet zwaar aan tilt als wethouders het budgetrecht van de raad met de voeten treden, of dat door het college verstrekt informatie bestaat uit een valse voorstelling van zaken, ook dat heb ik geleerd.

Hoewel de raad de plicht heeft om toezicht te houden op het dagelijks bestuur (B&W) is dat een verplichting waar de raad nauwelijks tijd en moeite aan besteedt. Waardoor het oud-Hollands gezegde van toepassing is. “Als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel”.

De alleszins geniale oplossing die de Enkhuizer raad (door middel van een raadsbreed akkoord) voor dit probleem heeft gevonden is, de aanblik van dansende muizen aan het oog te onttrekken. Althans voor de buitenwereld, waardoor het mogelijk wordt om “het bestaan” van de dansende muizen te ontkennen.

Voorlopig hoogtepunt van deze methodiek is, dat men niet alleen voor de buitenwereld verborgen heeft weten te houden dat het recreatieoord van eigenaar is veranderd, maar dat men de wijziging in eigendomsverhoudingen ook zelf pas door kreeg, nadat ze een feit was geworden.

Met de overdracht van het REZ aan Droomparken is de ontwikkeling, waarvan ik 10 jaar geleden het startsein heb mogen meemaken, voltooid. Daarmee is wat mij betreft ook het moment aangebroken om me vanaf 2020 niet langer te bemoeien met de lokale politiek.