Democratisch of bureaucratisch?

Gisteren en eergisteren ging het over het machtsgebruik door de overheid.

De raad maakt deel uit van de overheid en heeft tot taak er op toe te zien dat het college (noch zijzelf) zich schuldig maakt aan machtsmisbruik. Kortom, de spreekwoordelijke slager die zijn eigen vlees keurt.

Aanvankelijk dacht ik dit probleem te kunnen oplossen door met de Paljas Vereniging deel te nemen aan de verkiezingen. Zodat de kiezer in staat zou zijn om maximaal twee raadsleden te kiezen, die zich zouden concentreren op toezicht houden.

Die zouden zich dan onthouden van deelname aan de machtsvorming en dat over laten aan de resterende 15 raadsleden.

Achteraf gezien geen goed doordacht plan. Je lost geen probleem op door er deel van te gaan uitmaken. Dat de burger bepaalt wie er namens hem toezicht mag houden op het bestuur is een prima idee. Dat die toezichthouder vervolgens deel uit gaat maken van het bestuur, zoals nu ook het geval is, is een slecht idee.

Beter is het toezicht op het bestuur, buiten het bestuur om te regelen. Gelukkig is een van onze grondrechten het recht op vereniging. We kunnen dus, als we dat zouden willen, een vereniging oprichten die er op toeziet, dat de overheid geen misbruik maakt van de macht waarover ze beschikt.

Wie denkt dat zoiets niet nodig is omdat er in Nederland geen overheidsinstellingen zijn die zich schuldig maken aan machtsmisbruik, wijs ik op de recente ontwikkelingen bij de belastingdienst. Maar ook op lokaal niveau weet ik nog wel een paar voorbeelden.

In de meeste gevallen is de regelgeving dik in orde, alleen is er niemand die er op toeziet dat die regels worden nageleefd.

Dus willen we, dat er toezicht komt op de manier waarop de lokale overheid van haar macht gebruik maakt, dan moeten we niet langer blijven hopen dat de raadsleden dat wel eens gaan doen. Dan zullen we zelf iets moeten organiseren.

De keuze is dus voor een democratische oplossing, waarbij we zelf de handen uit de mouwen moeten steken, of een bureaucratische, waarbij we een nieuw protocol of gedragsregel toevoegen aan de bestaande hoeveelheid.

De bureaucratische oplossing is natuurlijk het makkelijkst. Niemand hoeft wat anders te doen dan het opvolgen van de nieuwe regel. Toezicht daarop bestaat slechts in naam.

De democratische oplossing is ingewikkelder. Er moet een vereniging worden opgericht. Een bestuur moet worden gekozen en verantwoording moet worden afgelegd. Allemaal zaken die een beetje tegen de tijdgeest ingaan.

Dus zegt u het maar. We kunnen tolereren, dat de overheid voor wat betreft het gebruik van haar macht van tijd tot tijd de bocht uit vliegt, of een vereniging oprichten die haar daarover (wanneer nodig) tot de orde roept.

Opvattingen hierover het liefst op het blog, zodat we een klein beetje bij het onderwerp blijven.

 

Meningen

Ruim tien jaar heb ik columns geschreven over de lokale politiek. In totaal bijna 2500 keer wat een gemiddelde van 250 columns per jaar is. Elke column is een persoonlijke mening over de lokale politiek.

De meeste inwoners van Enkhuizen hebben een mening over de lokale politiek, maar die ventileren ze zelden in het openbaar. Gewoonlijk blijft het bij geroep op verjaardagen of in de kroeg. Geen Enkhuizer zijnde (ik ben een geboren Amsterdammer en die krijgen het met de paplepel ingegoten dat ze zich overal mee mogen bemoeien) leek het me weer eens wat anders, als ik mijn mening in het openbaar uitdroeg, zodat iedereen die het niet met die mening eens was er zijn eigen mening tegenover kon stellen.

Eén keer mocht ik een mening geven in de grote mensen krant, het NHD. (11 juni 2016)

Die luidde, dat het plichtsverzuim van de raad, plichtsverzuim van het college uitlokte.

Ik ben dat nog steeds van mening en dat is waarschijnlijk ook de reden, dat ik (door het NHD) nooit meer ben gevraagd om mijn mening te geven. Jammer, omdat de reikwijdte van mijn blog minder is dan die van de krant.

Mijn mening over het REZ is tamelijk eenvoudig. Ik geloof niets van de voordelen van een vakantiepark, zoals de raad zichzelf dat heeft wijsgemaakt.

Maar als een meerderheid van de raad daar wel in gelooft, dan blijft er voor de eenvoudige burger weinig anders over dan zich te verbazen over de manier waarop college en raad te werk zijn gegaan om hun droombeeld te realiseren.

Zo wist ik al (na de presentatie van het voorlopige ontwerp door Orez) dat het ZZM met dat ontwerp niet akkoord zou gaan en verbaasde ik me over het feit, dat het college en de raad dat niet wisten. Maar rustig doorgingen (zonder het ZZM er bij te betrekken) het voorlopige ontwerp “te verbeteren” tot een definitief ontwerp, dat vrijwel onmiddellijk nadat het werd gepresenteerd, de prullenbak in kon.

Zo heb ik me ook steeds verzet tegen het ondoorzichtige “voor wat, hoort wat” gedoe, waarbij het voor niemand duidelijk was, wat er nu eigenlijk voor wat werd geruild. We kregen een strand, maar het overgrote deel van het recreatieoord kwam in particuliere handen en we mochten onze handen dicht knijpen, dat ons dit niets zou kosten.

Om een of andere reden heeft het NHD nooit aandacht geschonken aan de meningen, die ik op mijn blog ventileerde. Misschien omdat ze meestal afweken van de meningen die de raad naar voren bracht. Maar ik bespeur sinds kort een kentering. Tanja Koopen spreekt in de krant van afgelopen zaterdag over een falende dirigent, waarmee ze bedoelt, een falende gemeenteraad. Paul Gutter omschreef onlangs de pogingen van de raad als “het bouwen van droomkastelen op drijfzand”.

Misschien dat er bij het NHD nu ook ruimte komt voor MIJN mening, dat het college ons recreatieoord voor een appel en een ei heeft over gedaan aan Orez. Uiteraard weigeren  college en raad dat te erkennen, maar de krampachtige weigering van het college om de financiële bijzonderheden van die transactie openbaar te maken wijzen wel degelijk in die richting.

Als het NHD een door mij onderbouwde mening niet voldoende vindt om te publiceren,  dan staat haar natuurlijk niets in de weg om een WOB verzoek in te dienen en op haar beurt te trachten de financiële informatie te krijgen die mij tot dusver werd geweigerd.

Wensen en bedenkingen.

Artikel 169.4 van de gemeentewet bepaalt, dat indien een door het college voorgenomen besluit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente, zij dat besluit pas zal nemen nadat de raad in staat is geweest haar wensen en bedenkingen kenbaar te maken.

Die wensen en bedenkingen (bijvoorbeeld over het verkopen van grond in plaats van het in erfpacht uitgeven) hadden tijdens de raadsvergadering op 2 februari 2016 naar voren moeten worden gebracht. (De notulen van die vergadering zijn hier te lezen) 

Tijdens die raadsvergadering opent raadslid Stella Quasten met de mededeling dat ze van mening is, dat het voorstel geen voorstel is, maar een veredelde raadsbrief. De raad kan van alles van dit voorstel vinden, maar het is gewoon de bevoegdheid van het college. Van Reijswoud zal zich daar later bij aansluiten.

Ik ben bang, dat bovengenoemde raadsfracties zich onvoldoende rekenschap hebben gegeven van het begrip democratie, waarvan de essentie is, dat “het volk” (via haar vertegenwoordigers of rechtstreeks) altijd het laatste woord heeft. Ook als bepaalde bevoegdheden zijn overgedragen aan een college.

Dus, weliswaar is het verkopen van grond een bevoegdheid van het college, maar die bevoegdheid wordt ingeperkt door de verplichting om het voornemen tot verkoop, eerst aan de raad voor te leggen, voordat er een (niet meer ongedaan te maken) besluit wordt genomen.

Zodat de raad niet alleen haar wensen en bedenkingen kenbaar kan maken, maar ook in staat is een eventuele verkoop te verhinderen.

Theoretisch hoeft het college zich van die wensen en bedenkingen niets aan te trekken. Ze is immers bevoegd. Maar als het college zou aangeven, dat ze (ongeacht de door de raad ingebrachte bezwaren) de verkoop toch zou willen doorzetten, dan kan de raad dat verhinderen door het vertrouwen in het college op te zeggen.

Ongetwijfeld een paardenmiddel, maar wel degelijk een legitiem “raadsinstrument”.

Vanuit dat gezichtspunt hebben Quasten c.s. wat mij betreft de handdoek te snel in de ring gegooid en zou een krachtiger pleidooi (tegen het verkopen van de grond) op zijn plaats zijn geweest.

Ter vergoelijking geldt, dat de afweging verkopen/erfpacht door het college niet als een te nemen besluit was aangegeven en het dus pas bij de presentatie van het voorlopige plan duidelijk werd, dat het besluit daarover (binnenskamers) al was genomen.

Hinken op twee gedachten.

In februari 2018 schreef ik voor de eerste keer over ondermijning. Het verschijnsel dat criminelen zouden infiltreren in het lokale bestuur. De nadruk lag toen nog op de verkiezingen die later dat jaar zouden plaatsvinden.

Ik vond dat tamelijk absurd. Waarom zou een crimineel tijd, geld en moeite verspelen aan verkiezingen? Zou het niet veel eenvoudiger zijn om burgemeester, wethouders en ambtenaren om te kopen, in plaats van te proberen invloed uit te oefenen op raadsleden die door de bank genomen nauwelijks iets te vertellen hebben?

We hebben de neiging ons criminelen voor te stellen als Boris de Boef, maar de echt succesvolle dragen gewoon een driedelig pak en begeven zich in dezelfde kringen als waar burgemeesters, wethouders en beleidsambtenaren zich in begeven.

Oktober 2018 stond ondermijning weer op de raadsagenda.

Dit keer met een verzoek om jaarlijks € 60.000,- te spenderen aan het bestrijden van ondermijning. Door aanstelling van een projectleider, die “sturing” zou geven aan (niet met name genoemde) deelprojecten.

Wat me bij dit alles telkens weer opvalt is, dat de aandacht altijd uit gaat naar criminelen zoals aanwezig in motorclubs, maar nooit naar hun partners in crime, de bestuurders. Om ondermijning te doen slagen zijn er namelijk altijd twee partijen nodig.

Een crimineel die zijn crimineel verkregen geld wil witwassen en een bestuurder, die tegen een redelijke vergoeding best bereid is hem daarbij te helpen.

De grootste bron voor gratis geld voor de lokale overheid is natuurlijk het vergunningenstelsel.

Een kavel op het recreatieoord is (zonder bouwvergunning) vrijwel niets waard, echter de waarde van die kavel stijgt razendsnel, zodra de vergunning om een woning te mogen plaatsen wordt meegeleverd. In het voorbeeld dat ik gaf in mijn vorige bericht steeg de prijs van zo’n kavel van 5 naar 100 duizend euro.

Reden te meer reden om bij de uitgifte van vergunningen uiterst zorgvuldig en transparant te werk te gaan om daarmee de mogelijkheid tot “ondermijning” uit te sluiten.

En dan blijkt de gemeente Enkhuizen, als het gaat om transparantie en het verschaffen van inzicht, het liefst probeert om zo veel mogelijk barrières op te werpen.

Om te beginnen stopt de bemoeienis van de raad nadat ze een “go” besluit heeft genomen. Wanneer twee openbare aanbestedingen mislukken, besluit B&W dat de tijd gekomen is voor een onderhands aanbestedingstraject. Waarbij de keuze valt op een aannemer, die nooit eerder een  project van dergelijke omvang heeft uitgevoerd en die uiteindelijk het project (na ondertekening van de overeenkomst) zal verkopen aan een ontwikkelaar die daartoe wel in staat is.

Stilzwijgend stapt men over van uitgifte onder erfpacht, naar verkoop van grond zonder dat de raad in staat gesteld wordt er bezwaren tegen te maken. Ook de prijs waartegen de grond is verkocht blijft geheim, lang nadat de grond is verkocht.

Hoewel B&W haar goedkeuring baseert op het advies van door haarzelf benoemde deskundigen, zijn hun namen onbekend en mogen die ook niet bekend gemaakt worden. Hoewel de keuze voor de contractpartner wordt gerechtvaardigd op basis van zijn solvabiliteit, wordt het bewijs van die solvabiliteit niet geleverd.

Daardoor blijft het feit overeind, dat de gemeente een miljoenenovereenkomst onderhands heeft gegund aan een pas opgerichte BV, zonder enige ervaring en met een geplaatst kapitaal van € 201,-.

Er bestaat geen vergelijking tussen de geraamde opbrengst voor de ontwikkelaar en de geraamde uitgaven die hij (t.b.v. de openbare ruimte) heeft gedaan. Dus, hoewel het hier  om een “quid pro quo” transactie gaat, blijkt de gemeente niet in staat om duidelijkheid te verschaffen over de waarde van het een, ten opzichte van de waarde van het ander.

Deze gang van zaken staat niet op zichzelf. Hetzelfde gebeurt bij de vaststelling van de kosten van de verzwaring van het elektra-netwerk in de Drommedaris. Ook toen bleken documenten die bij elk bedrijf met een normale bedrijfsvoering worden uitgemaakt, zoals een factuur, niet in de gemeentelijke administratie aanwezig te zijn.

Wel aanwezig was een offerte, met kosten voor werk dat niet was uitgevoerd. Maar die wel werd gebruikt om van de raad een hoger (dan noodzakelijk) krediet los te praten.

Dus waar de gemeente jaarlijks € 60.000,- overmaakt om “ondermijning” te bestrijden speelt ze potentiële “ondermijners” in de kaart met haar werkwijze en haar weigering daar inzicht in te geven. Dat noemen we gewoonlijk “het hinken op twee gedachten”.

Bedrijfsgevoelige informatie.

spionIk wist niet beter of de uitgifte van grond in het recreatieoord zou (net als bij SWL) onder erfpacht plaatsvinden. Het lokkertje voor de ontwikkelaars zou volgens wethouder de Jong inhouden, dat de grond 30 jaar lang vrij van erfpacht zou worden aangeboden.

Met behulp van die kostenbesparing zou de ontwikkelaar leuke dingen voor de gemeente moeten kunnen doen.

Inmiddels weten we beter. Namelijk dat de grond is verkocht. Wat we niet mogen weten is tegen welke prijs, omdat dit indruist tegen de financiële belangen van de gemeente.

De verkoop van grond is een bevoegdheid van het college. Die bevoegdheid is beperkt, in het geval dat “het uitoefenen van die bevoegdheid ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente”. In het laatste geval neemt het college geen besluit dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.  Artikel 196.4 van de gemeente wet.

Ik kan hier niet anders uit opmaken, dan dat het toenmalige college (onder leiding van burgemeester Baas) de raad op de hoogte had moeten stellen van haar plan de grond te verkopen in plaats van in erfpacht uit te geven.

Aangezien dat niet is gebeurd zou je het college wetteloos gedrag zou kunnen verwijten, maar dat maakt alleen indruk als haar toezichthouder (de gemeenteraad) dat zou doen.

Die ziet het echter niet als haar taak om er op toe te zien of het college haar wettelijke verplichtingen nakomt. Zoals de raad ook nooit geïnteresseerd is geweest in wat de grondverkoop zou kunnen opbrengen. Men stelde zich tevreden met de mededeling, dat uit de opbrengst van de grondverkoop, de herinrichting van het overblijvende deel van het recreatieoord betaald zou kunnen worden.

En dus verkoopt het college grond (met een “straatwaarde” van 20 miljoen) aan een ontwikkelaar voor een onbekend bedrag. Een ontwikkelaar die geen ervaring heeft met projecten van deze omvang, beschikt over een eigen vermogen van € 201,- en waarvan de solvabiliteit niet kan worden aangetoond. Maar die wel wel kan beschikken over een garantie ter waarde van € 1.000.000,- . (!)

Het moet van meet af aan duidelijk zijn geweest dat deze combinatie niet meer kon zijn dan een tussenpersoon. Dat roept de vraag op, waarom de gemeente zich tevreden stelde met onderhandelingen met een tussenpersoon en niet met de toekomstige eigenaar.

Pogingen om (met behulp van de WOB) inzicht te krijgen in de waarde van de door Orez bv te leveren prestatie zijn mislukt, omdat de gemeente een dergelijke waardebepaling  kennelijk niet heeft gemaakt. Hetzelfde geldt voor de aankoopprijzen voor de grond die in de overeenkomt met Orez zijn weg gelakt omdat ze (volgens de gemeente) betrekking hebben op bedrijfsgevoelige gegeven. Zo bedrijfsgevoelig dat ze via het kadaster zijn op te vragen.

 

Recht of Gunst?

Op 5 juni van dit jaar stelde ik in het kader van de Wet Openbaarheid Bestuur een aantal vragen. Volgens de wet dienen die binnen vier weken beantwoord te worden, met een mogelijkheid van verlenging met nog eens vier weken. Inmiddels zijn we 16 weken verder, het dubbele van de termijn die in de wet is bepaald, zonder dat er (op welke vraag dan ook) een  antwoord is ontvangen.

Ging het wellicht om bijzonder ingewikkelde vragen? Niet echt. De eerste vraag betrof de samenstelling van de beoordelingscommissie. De tweede vraag betrof de inhoud van het “positieve” advies, dat door die commissie was uitgebracht en dat vervolgens door het college was overgenomen.

Dat je 16 weken nodig hebt om de samenstelling van een commissie openbaar te maken is niet meer geloofwaardig. Hetzelfde geldt voor het advies dat die commissie het college heeft gegeven.

Het ontbreken van deze twee antwoorden rechtvaardigt het vermoeden, dat de door het college te benoemen commissie niet bestaat, nooit bestaan heeft en dus ook nooit advies heeft gegeven.

Met als consequentie, dat het college niet handelde op gezag van een “onafhankelijke” (weliswaar door haarzelf benoemde) commissie, maar op eigen gezag. Het zou me niet verbazen als aan die werkwijze gevolgen zouden kleven, maar dat is van later zorg.

Waar het me in deze column om gaat, is het gemak waarmee B&W de bestaande wet en regelgeving inzake de Openbaarheid van Bestuur ter zijde schuift. En behandelt als ware het een, door het college te verlenen gunst, in plaats van een recht, dat ieder van ons toekomt.

Daarin overigens gesteund door het presidium. (inclusief haar voorzitter en griffier).

Op 3 augustus 2019 attendeerde ik het presidium (door middel van een open brief) op de onvolkomenheden bij de uitvoering van de WOB en met het verzoek het college daar op aan te spreken. Twee van  de negen raadsfracties hebben daarop gereageerd en contact met me opgenomen.

De overige 7 partijen (en de voorzitter en griffier) vonden het feit, of de gemeente zich bij haar uitvoerende taken houdt aan de daarvoor geldende wet en regelgeving, niet belangrijk genoeg om zich er over uit te laten.

Wat, gezien de bestuurscultuur in Enkhuizen, niet geheel als een verrassing kwam.

——————————————

Errata,

De oorspronkelijke versie bevatte 5 juli als datum waarop het verzoek werd ingediend, maar in deze versie gecorrigeerd in 5 juni.

List en bedrog.

Gisteren schreef ik dat de raad op 2 februari 2016 een besluit nam. Zonder dat het haar duidelijk was waar men, door het nemen van het besluit, voor of tegen was.

Tijd om wat dieper in te gaan op die merkwaardige gang van zaken. Allereerst de tekst van het besluit:

  1. Kennis te nemen van de resultaten van de gehouden enquête en interviews met betrekking tot de aanbesteding van het Recreatieoord Enkhuizer Zand (REZ);
  2. Kennis te nemen van de vervolgscenario’s met betrekking tot de voortzetting van het project REZ;
  3. Kennis te nemen van het risicodossier en de planning met betrekking tot de vervolgscenario’s voor de ontwikkeling van het project REZ;
  4. De wensen en bedenkingen kenbaar te maken met betrekking tot de keuze van voortzetting van het project REZ, conform het voorkeursscenario.

Van Marle en Van Reijswoud gaven een stemverklaring af, waarin ze lieten weten geen vertrouwen te hebben in de, door het college voorgestelde voortzetting met behulp van  scenario 1. [Het scenario, dat uiteindelijk toch is uitgevoerd onder instemmend geknik van de coalitiepartijen. SP, CDA, NE en CU/SGP.]

Daarop reageerde burgemeester Baas met de mededeling dat de raad geen besluit nam over het te volgen scenario. Dat was een uitvoeringsbevoegdheid van het college.

Voor Quasten voldoende reden om zich te onttrekken aan de discussie over het nog te nemen besluit.

Veel te vroeg naar mijn mening. Al behoort een voornemen tot de bevoegdheid van het college, dan nog kan de raad de uitvoering van dat voornemen verhinderen.

Weliswaar met behulp van een paardenmiddel (door het college naar huis te sturen als ze weigert rekening te houden met de wensen van de raad), maar de wil van het “volk” wint het in een echte democratie altijd van de wens van de bestuurders.

Dat het in de praktijk vaak anders lijkt komt voornamelijk door onkunde bij hen die het “volk” vertegenwoordigen en die hun handdoek voortijdig de ring in gooien.

Enfin, als de raad geen besluit nam over het scenario, waarover nam men dan wel een besluit? Het antwoord daarop ligt besloten in één van de overwegingen.

“dat de gemeenteraad op grond artikel 169, lid 4 van de Gemeentewet in de gelegenheid wordt gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen; “

De uitvoeringsbevoegdheid  van het college (bij het verkopen van grond) wordt in artikel 169.4 beperkt als er aan de verkoop ingrijpende gevolgen kleven. Het college is onder die omstandigheid verplicht om de raad in de gelegenheid te stellen wensen en bedenkingen tegen die verkoop kenbaar te maken.

Het is redelijk te veronderstellen dat uit contacten met de voorgestelde ontwikkelaar naar voren was gekomen, dat die de voorkeur gaf aan grondaankoop i.p.v. grondhuur. Ook als die 30 jaar lang zou worden kwijtgescholden.

Hoewel het college dus bevoegd was om de grond te verkopen, waren de gevolgen van die verkoop dermate ingrijpend, dat ze (voordat ze van haar bevoegdheid gebruik kon maken) VERPLICHT was de raad in staat te stellen om eventuele bedenkingen over die verkoop van de grond naar voren te brengen.

En zou het college die bezwaren niet serieus nemen, dan zou de raad in staat zijn om (door het vertrouwen in het college op te zeggen) de verkoop te verhinderen.

Aangezien die verplichting van het college nooit ter sprake werd gebracht, is het redelijk om te veronderstellen, dat de raad zich ook nooit van die verplichting bewust is geweest en men dus een stem uitbracht, zonder te weten waar men voor (of tegen) stemde. Komt wel vaker voor begrijp ik.

Kortom, zonder dat de raad het besefte, kwam het college een wettelijke verplichting na, die voortvloeide uit haar (niet tegenover de raad uitgesproken) voornemen om de grond op het REZ te  verkopen in plaats van in erfpacht uit te geven.

Voor de onwetendheid van de raad zou je begrip op kunnen brengen, ware het niet, dat je alleen maar “gemeentewet artikel 169” hoeft in te tikken op je (door de gemeente verstrekte) computer en je krijgt het betreffende artikel voor je neus getoverd.

Maar voor twee personen maak ik graag een uitzondering, omdat die uit hoofde van hun beroep zouden moeten weten waar 169.4 over ging.

Ten eerste de griffier, werknemer en adviseur van de raad. Het is naar mijn mening zijn taak om de raad te wijzen op de addertjes die onder het gras schuil gaan. Maar onder het besluit staat zijn naam: wil dat zeggen dat hij de adder eigenhandig onder het gras heeft verborgen?

Ten tweede Van Reijswoud, fractievoorzitter van de VVD en in het dagelijks leven de loco secretaris bij de gemeente Lelystad. Ook zijn kennis van de gemeentewet moet dusdanig zijn, dat hij geweten moet hebben, dat het college bezig was met een verkapte poging tot grondverkoop. Als hij dat niet door had, dan heb ik hem de afgelopen jaren toch te hoog ingeschat.

Samengevat, het college is (op aandringen van de ontwikkelaar) voornemens de grond op het REZ te verkopen in plaats van het 30 jaar lang erfpacht vrij aan te bieden. Zich er van bewust, dat er een wettelijke verplichting bestaat om de raad in staat te stellen tegen een dergelijk voornemen bezwaar te maken, verzwijgt men het voornemen en verbergt men de bezwaarmogelijkheid achter een reeks zienswijzen.

De bestuurscultuur in Enkhuizen is gebaseerd op geheimhouding en list en bedrog.

De enige die daar een eind aan kan maken is de gemeenteraad. Maar voor hen, meer nog dan voor “gewone” mensen, gelden de woorden van Mark Twain.

Het is makkelijker mensen te bedriegen dan ze er van te overtuigen dat ze zijn bedrogen.

===================================================

Voor de echt geïnteresseerden. Bovenstaande column is, net als de voorgaande column, gebaseerd op de notulen van de raadsvergadering van 2 februari 2016, die u hier kunt vinden.