Koninginnedag 2019

30 april 2019. Koud (12 graden) en bewolkt. Niks te doen op het recreatieoord, op een paar wandelaars met honden na. Lagere scholen hebben vakantie.

Dus parkeerterrein van Sprookjeswonderland (339 vakken) vol. Overloop parkeerterrein van Sprookjeswonderland (80 vakken) vol. Kooizandweg 101 vakken bezet. Kortom, op een koude dag in April, in vakantietijd, neemt Sprookjeswonderland, 520 parkeervakken in beslag. Dat is goed voor 1040 bewegingen.

Hoe kan het dan, dat de ingenieurs van RHO niet verder komen dan 320 bewegingen per dag en daar hun conclusies op baseren?

In tabel 4.1 van de toelichting wordt de te verwachtte toename in verkeersbewegingen voorspeld.

verkeersbewegingen

Men schat een toename met 835 voertuigbewegingen. Hoe anders is dat in tabel 4.4

verkeervervuiling

Het aantal extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) is plotseling gestegen tot maar liefst 2190.

Hoogst opmerkelijk zulke rapporten, waarvoor grof geld wordt betaald, maar die door niemand worden gelezen. Niet door de ambtenaar, die de opdracht heeft gegeven, niet door de wethouder, die haar conclusies klakkeloos overneemt en al helemaal niet door de raad.

Die gaat er van uit dat de ambtenaar en wethouder het rapport wel gelezen zullen hebben (en in orde hebben bevonden).

En zo sukkelen we van de ene misvatting naar de andere. Natuurlijk kost dat geld, maar de Enkhuizer is nu eenmaal een heel gedweeë belastingbetaler en dus komt iedereen er zonder kleerscheuren vanaf en hoeft er niets te veranderen.

In het duister tasten.

bevoegdgezagAfgelopen dinsdag een discussie over bevoegdheden van de raad. Althans, bevoegdheden waarvan de indieners van de motie vermoeden, dat ze ooit aan het college zijn overgedragen.

Indieners van de motie waren HEA, EV! en CDA.

Doel van de motie was het college op te dragen om mee te delen wanneer het college (bij het formuleren van een raadsvoorstel) gebruik maakte van een aan haar overgedragen bevoegdheid.

Er ontstond een nogal warrige discussie over wie wat moest doen en waarom. Om te beginnen lijkt het me allereerst de taak van de raad te weten wat haar bevoegdheden zijn. Helaas schort het daar nog wel eens aan.

Want naast de overdracht van bevoegdheden is er sprake van “vrijheden”, die college’s zich in het verleden permitteerden en die door de raad stilzwijgend werden toegestaan.

Budgetoverschrijdingen dienen bij overschrijding van bepaalde grenzen aan de raad te worden gemeld. Tot op vrijwel het laatste moment werd (naar de raad) toe volgehouden dat de verbouwing van de Drommedaris binnen budget zou blijven, waarna er achteraf werd erkend, dat het budget met tonnen was overschreden.

De overschrijding was op zichzelf onvermijdelijk, maar de “vrijheid” waar het college gebruik van maakte was, dit pas achteraf mee te delen en niet zoals het behoorde op het moment dat de overschrijding bekend was.

Het college maakt ook doelbewust gebruik van misleidende offertes om meer krediet van de raad los te peuteren, van waaruit ze betalingen wilde verrichten die ze niet aan de grote klok wilde hangen.

Kortom twee voorbeelden van momenten, waarop de raad had moeten ingrijpen, maar waar men dat naliet. Ik heb daar in het verleden meermalen op gewezen.

Kortom het gaat niet om alleen om bevoegdheden die de raad heeft overgedragen , maar ook over bevoegdheden, die vorige college’s zich toe eigenden, zonder dat de raad zich er druk over maakte.

Ik schreef daar op 11 juni 2016 een column over in de Enkhuizer Krant. Plichtsverzuim van de raad lokt plichtsverzuim van het college uit.”

Op 8 januari vestigde ik daar in de column Plichtsverzuim nog eens de aandacht op. Als de raad haar eigen plichten niet serieus neemt, moet het je niet verbazen als het college  (wanneer haar dat beter uitkomt) haar verplichtingen ook niet serieus neemt.

Hoewel ik de indruk heb, dat deze raad wat zorgvuldiger wil omgaan met haar plichten en bevoegdheden, denk ik niet dat de ingediende motie daarbij nuttig en bruikbaar is.

Als bevoegdheden van de raad aan het college zijn overgedragen, dan is een raadsbesluit niet langer nodig, maar kan het college (op basis van de overgedragen bevoegdheid) een besluit nemen zonder tussenkomst van de raad.

De motie gaat echter niet over door het college te nemen besluiten, maar over door de raad te nemen besluiten.

De motie is inmiddels aangenomen, maar het lijkt er op, dat de meerderheid van de raad nog steeds in het duister tast over wat ze met die motie wil bereiken.

Besluiten van het college kunnen het gevolg zijn van een overdracht van  bevoegdheden, maar raadsbesluiten zijn dat nooit.

Zorgwekkende ontwikkeling

Marcel_Olierook
Morele verplichting

In een verslag van de laatste raadsvergadering (keurig werk trouwens) laat de SP weten dat het CDA de eerstkomende vergadering met een “raadsinstrument” gaat komen. Dat raadsinstrument heet Motie Vreemd Aan De Orde Van De Dag. Afgekort een MVADODD.

Een motie (indien aangenomen) is een verzoek aan het college.

Een college kan weigeren zo’n verzoek uit te voeren, maar dat zal in dit geval niet gebeuren. Het verzoek (motie) zal namelijk inhouden dat het collegevoorstel van 5 juli (inzake de betaling van Hillen & Roosen) alsnog wordt uitgevoerd en Hillen & Roosen wordt betaald.

De gang van zaken is zo eenvoudig en voorspelbaar dat ik het op 26 augustus 2016 al op mijn blog heb gepubliceerd. Die column kreeg de tamelijk frivole  titel “Gaan met die banaan”.  Als U op de link klikt kunt U lezen dat ik toen al schreef wat nu staat te gebeuren.  Terwijl onze wakkere oppositie zich nog steeds het hoofd breekt over wat Venneman nu eigenlijk van plan is.

Waarschijnlijk denkt Venneman dat de “oplossing” die hij presenteert door hemzelf is bedacht. Ik moet hem teleurstellen. Dit plan “B” is al op 20 juli 2016 bedacht en aan Hillen & Roosen voorgelegd.

venneman1
Marionet

Sindsdien werken college en aannemer eendrachtig samen aan de uitvoering. Venneman is niet meer dan de marionet die iets (waarvan de uitkomst 6 maanden geleden is bepaald) in gang moet zetten.

Die uitkomst is, dat de aannemer wordt betaald voor de werkzaamheden die hij heeft verricht. Waarom? Omdat omdat ons mooie land gebouwd is op een paar vast verankerde rechtsbeginselen. Eén daarvan is, dat iedereen die werk verricht, in principe recht heeft op betaling voor die werkzaamheden.

Het antwoord op de vraag of van dat principe mag worden afgeweken is aan de rechter, die feiten en omstandigheden tegen elkaar afweegt en vervolgens tot een afgewogen oordeel komt. Dat een zelfvoldaan clubje amateurpolitici (in een kleine stad) andere opvattingen heeft, maakt dat nog niet anders.

[Amateurpolitici, die geen enkele belangstelling hebben voor feiten en omstandigheden, maar liever besluiten nemen op basis van hun politieke vooroordelen]

In 2015 schreef wethouder Olierook dat er een morele verplichting bestond de aannemer te betalen voor het werk dat hij had verricht. Had hij op dat moment ook de moed gehad om te zeggen, “als de raad mij niet toestaat die morele verplichting na te komen, dan treed ik af”, dan had al de daaropvolgende (en beschamende) vertoning niet plaatsgevonden.

Maar helaas, behoud van pluche woog voor deze wethouder zwaarder dan het nakomen van een morele verplichting en dus koos hij er voor zichzelf proberen vrij te pleiten van morele verantwoordelijkheid.

Door te benadrukken dat hij geen opdracht had gegeven, bracht hij een compleet politiek circus op gang dat zich vervolgens te buiten ging aan illusiepolitiek.

In eerste instantie aangezwengeld door de coalitiepartijen, die uit de opmerking dat je geen opdracht hebt gegeven de voorbarige conclusie trokken, dat je dan ook niet hoeft te betalen voor het werk dat was uitgevoerd.

Ik heb in  dit blog (aan de hand van wet en regelgeving) er op gewezen dat dit een voorbarige conclusie is. Een conclusie die door een rechter (na afweging van de feiten en omstandigheden) kan worden getrokken, maar niet door een college van B & W of door de coalitie van partijen dat haar steunt.

Die kortzichtigheid kun je omschrijven als Erdocratie.  Het komt er op neer dat een meerderheid geen rekening hoeft te houden met de rechten van minderheden. Wij leven godzijdank niet in een Erdocratie maar in een democratische rechtsstaat. Waarin de rechten van burgers en bedrijven nog enigszins beschermd worden tegen willekeurige (nergens op gebaseerde) opvattingen van regenten uit een voormalig vissersdorp.

De poging van Olierook zichzelf te ontlasten van zijn morele verantwoordelijk resulteerde in de verkondiging van een reeks van halve en hele onwaarheden, waarover ik 9 dagen voor de raadsvergadering van 5 juli het volgende heb gezegd.

Geeft de wethouder een gele kaart (=waarschuwing) door middel van een motie van treurnis (omdat hij probeert de kluit te belazeren,) maar geef hem ook het geld waar hij om heeft gevraagd, zodat hij de aannemer kan betalen. Dan zijn we van dit gezeik af.

Was er op dat moment enig bewijs dat hij de kluit belazerde?

Wel, als je steeds op het standpunt hebt gestaan (en feitelijk nog steeds beweert) dat de kosten van verzwaring € 100.000,- bedragen en je erkent (in je raadsvoorstel een jaar later) dat ze in werkelijkheid maar € 30.000,- zijn, dan vind ik dat je mag zeggen dat de wethouder de kluit probeert te belazeren en dat hij derhalve een waarschuwing verdient.

Geel om herhaling te voorkomen. Twee keer geel is uiteraard rood.

Maar goed, de raad van Enkhuizen kent haar eigen werkwijze in geval van overtredingen van de democratische spelregels.

Hoewel de “overtreding” van Olierook een andere is dan die van zijn voorganger Boland (in het zelfde dossier) is de reactie van de raad op dit soort overtredingen (van de democratische spelregels) altijd hetzelfde.

Men kijkt weg, veinst hem niet op te merken en praat zwaarwichtig verder over koetjes en kalfjes.

Als gevolg van dat plichtsverzuim zal ook in Enkhuizen de kloof tussen kiezer en gekozenen alleen maar verder toenemen. Het loslaten van democratische normen en waarden (om kool en geit te kunnen sparen) zal het vertrouwen in onze democratische instituties alleen maar doen afnemen.

De roep om een “sterke man” (die wel even orde op zaken zal stellen) wordt inmiddels overal in Europa gehoord en heeft in de VS al tot resultaat geleid. Velen zien er naar uit dat dit ook in Nederland en Enkhuizen gaat gebeuren.

Ik vind dat een zorgwekkende ontwikkeling.

Oligarchie

Gemeenteraad_Enkhuizen_internetOver precies een week vergadert de raad voor de laatste keer dit jaar. Het meest interessante agendapunt (in mijn ogen) is het laatste op de agenda.

De raadsbespreking over de brief die is ontvangen van Hillen & Roosen. Het agendapunt wordt op het raads informatie systeem als volgt geïntroduceerd.

Raadslid Venneman (CDA) heeft de agendacommissie verzocht om bespreking van de brief die de raad ontving van Hillen&Roosen.

De agendacommissie heeft zich het verzoek gebogen en tot de volgende agendering besloten: “gelet op het politieke karakter van de kwestie én gelet op het BOB-systeem waarbij beeldvorming tijdens de commissiebijeenkomsten plaats vindt, wordt deze brief geagendeerd voor bespreking door de gemeenteraad op 6 december 2016.”

De brief zelf kunt U via deze link lezen.  Het BOB-systeem omvat de diverse stappen in het besluitvormingsproces. De eerste is beeldvorming, die gewoonlijk deels openbaar en deels binnenkamers plaats vindt. Het openbare deel is de commissievergadering.

Het deel dat binnenskamers wordt afgewikkeld bestaat uit zogenaamde “informatie” bijeenkomsten (alleen toegankelijk voor raadsleden) en vragen van raadsleden die via Agora (internet forum voor raadsleden) worden gesteld.

In theorie zijn die vragen en antwoorden vóór de raadsvergadering bekend. In de praktijk gebeurt het vaak dat ze pas openbaar gemaakt worden nadat het besluit al is genomen.

Tussen de commissievergadering en de raadsvergadering zitten gewoonlijk 14 dagen. Tijdens die periode worden de resultaten van de beeldvorming door de diverse steunfracties (intern) besproken en vormt men zich een oordeel.

Dat oordeel wordt vervolgens uitgesproken tijdens de openbare raadsvergadering, waarna (door middel van stemming) besluitvorming volgt.

Hoewel raadsleden de neiging hebben de besluitvorming als het belangrijkste onderdeel van hun werk te beschouwen, is dat eigenlijk meestal niet meer dan een formaliteit.

Veel belangrijker is de fase waarin beeldvorming en oordeelsvorming plaats vindt. Tijdens die fases is (in theorie) beïnvloeding door relatieve buitenstanders nog mogelijk, daarna is elke poging daartoe zinloos en mosterd na de maaltijd.

Hoewel raadsfracties graag roepen dat ze grotere betrokkenheid van de burger bij de besluitvorming wensen, doen ze er in de praktijk alles aan om dat te voorkomen.

De raadsvergadering van 6 december komt precies 5 maanden nadat de chaotisch verlopen vergadering van 5 juli heeft plaats gevonden. In de tussentijd heeft geen enkele fractie de gang van zaken geëvalueerd.

De op 5 juli ingenomen standpunten blonken uit door ongefundeerd wensdenken, de kern van het probleem werd door 8 van de 10 fracties volledig genegeerd.

Die kern van het probleem was dat het college onvoldoende (en deels onjuiste) informatie had verstrekt. Is dat tekort opgeheven door een brief van de aannemer? Helaas niet.

Ook hij laat tal van vragen onbeantwoord. Hij bevestigt alleen het eens te zijn met het oorspronkelijke raadsvoorstel.

Dat impliceert dat ook hij erkent dat de kosten van verzwaring € 30.000,- bedroegen waarvan hij 1/3 voor zijn rekening zal nemen. Gemeente en stichting nemen 2/3 voor hun rekening (€ 20.000,-) en dus blijft de vraag, op grond waarvan hij recht meent te hebben op € 40.000,- boven de kosten van verzwaring.

Zowel aannemer als college hebben zich daar niet over uitgelaten. Feit is verder, dat wat zij er nu ook over zouden willen beweren, er geen documenten zijn waarmee zij die bewering zouden kunnen staven.

Men heeft namelijk zowel tegenover de raad, als tegenover mij, beweerd dat men niet beschikt over documenten waarmee men zo’n bewering zou kunnen staven.

Maar nog veel belangrijker dan de hoeveelheid geld waar de aannemer volgens het college recht op heeft, is de kwestie van het plichtsverzuim van het college. De handelwijze van het college komt er namelijk op neer dat men de democratische controle op de afspraken (die door haar zijn gemaakt) onmogelijk heeft gemaakt.

Door van die gemaakte afspraken geen verslagen te maken, dan wel te weigeren ze ter inzage te geven  of ze te verduisteren.

Het bewijs voor dit plichtsverzuim heeft men inmiddels zelf geleverd. Op 5 juli heeft de raad (ongetwijfeld uit politieke overwegingen) gedaan alsof haar dat niet was opgevallen. Zal zij op 6 december hetzelfde doen en opnieuw doen of haar neus bloedt?

We zullen zien, maar één ding is zeker. Een democratie waarin men zonder blikken of blozen de democratische controle op de gemaakte afspraken onmogelijk kan maken, (zonder dat daar verder gevolgen aan kleven) is niet langer een democratie, maar een oligarchie. Of misschien nog beter, een pseudocratie.

 

 

Weinig hoopvol

gemeenteraad
Gekakel

Waarom schrijf ik zoveel over de afwikkeling van het Dromdossier?

Ik heb meermalen gezegd dat de hoogte van het bedrag dat we de aannemer verschuldigd zijn me niet interesseert.

Ik heb ook meermalen gezegd dat ik er van overtuigd ben dat de aannemer recht heeft op betaling.

Dus waar gaat al dit geschrijf dan wel over?

Het gaat over ons recht om democratische controle uit te kunnen oefenen op de afspraken die door onze bestuurders (in dit geval het college) worden gemaakt.

Het gaat over de plicht van onze bestuurders die controle mogelijk te maken en de plicht van de door ons gekozenen, om die controle uit te voeren.

College van B&W
plichtsverzuim

Maar zowel bestuurders, als gekozenen, hebben maling aan ons recht en van de bijbehorende verplichtingen willen ze al helemaal niets weten.

En dus kakelen ze tijdens hun maandelijkse bijeenkomsten over bijzaken. Bestuurder Olierook heeft laten weten dat alles wat ik hierover naar voren heb gebracht rommel is.

De gekozenen hullen zich in stilzwijgen en bereiden zich in hun achterkamertjes voor op een nieuwe kakelronde op 6 december.

Is Enkhuizen daarin uniek? Helaas, ook dat is niet het geval! In de krant van zaterdag een uitgebreide reportage over jarenlang voortdurende malversaties in de muziekschool van onze buurgemeente Stede Broec.

Wat is de typerende reactie vanuit de politiek nu die malversaties een onontkoombaar feit zijn geworden? Goedpraten van degenen die voor de malversaties  verantwoordelijk waren (de eigen politieke vrienden) en het beschuldigen van degenen die ze aan het licht brachten.

In Enkhuizen is dat niet anders. Men beschuldigt mij van het uitspreken van vermoedens (kennelijk tegenwoordig verboden door de gedachtenpolitie) en het verspreiden van rommel waaraan dus geen aandacht hoeft te worden geschonken.

Het tegenovergestelde is waar. Het is de raad die zich baseert op vermoedens en die de feiten negeert.

Feit is dat relevante originele documenten niet overlegd werden, zodat de democratische controle op gemaakte afspraken onmogelijk was. In plaats daarvan kregen we interpretaties van feiten en omstandigheden, die bij elke normale burger de wenkbrauwen deden fronzen.

Dat de raad (om politieke redenen) dat feit negeert, is omdat de enige juiste conclusie uit dat feit dient te zijn, dat degene die democratische controle onmogelijk maakt minimaal een reprimande verdient of dat het vertrouwen in hem wordt opgezegd. Die conclusie trek ik niet achteraf, maar trok ik al ruim voor de vergadering van 5 juli.

Alleen, de raad wenst die conclusie niet te trekken en daarom negeert men het onomstotelijke feit dat het college (door haar optreden) democratische controle onmogelijk heeft gemaakt.

Feit is ook, dat slechts twee raadsleden (Langbroek/Quasten) vanwege het ontbreken van originele informatie weigerden besluiten te nemen en de overige raadsleden gevraagd hebben hen daar in te steunen. Feit is, dat de overige raadsleden daartoe niet bereid waren.

Feit is verder, dat tijdens die historische bijeenkomst op 5 juli de meerderheid van de raad conclusies heeft getrokken op basis van vermoedens en dat die conclusies onjuist waren, omdat de vermoedens waarop ze gebaseerd waren onjuist waren.

Raad
plichtsverzuim

Van sommige vermoedens heb ik inmiddels (aan de hand van originele documenten) aangetoond, dat ze onjuist waren.

Of als gevolg daarvan raadsleden bereid zijn om hun conclusies (die ze op onjuiste vermoedens baseerden) te herzien moet worden afgewacht.

Democratie is niet alleen het recht om eens in de vier jaar een stem uit te brengen, het is ook het recht om controle uit te oefenen op de afspraken die er (namens ons) worden gemaakt.

Als de bereidheid daartoe ontbreekt bij de gekozen volksvertegenwoordigers, zoals in dit dossier op overtuigende wijze is aangetoond, dan rest niets anders dan een gang naar de rechter om dat democratische recht veilig te stellen.

Of de raad daar vervolgens dan ook iets mee zal doen moet wederom worden afgewacht. De gang van zaken in Stede Broec stemt weinig hoopvol.

Onder een stolp

Pijl
Overweldigd

Ik geef toe dat ik enigszins overweldigd raakte toen Bram van de Pijll (na maandenlang stilzwijgen) plotseling maar liefst 9 reacties plaatste waarin hij probeerde uit te leggen wat ik allemaal verkeerd heb gedaan en hij allemaal goed heeft gedaan.

Bram heeft geen website waarop hij zijn opvattingen toelicht. Ik ken ook geen enkele publicatie van zijn hand. Het enige waar we op af kunnen gaan is dus wat hij tijdens raadsvergaderingen naar voren brengt.

Voor mij is dat niet zo moeilijk. Ik weet waar de informatie is te vinden. Als U deze link aanklikt komt U op het audioverslag van de laatste raadsvergadering. Als U vervolgens selecteert op spreker dan krijgt U alle door van de Pijll geleverde bijdragen op een rij. Ik schat dat zijn totale spreektijd over dit onderwerp ongeveer 10 minuten is.

Het schrijven van een enkele column kost me aanzienlijk meer tijd. Ik heb er tientallen over dit onderwerp geschreven gedurende de afgelopen maanden.

In die 10 minuten durende bijdrage concludeert Van der Pijll bij herhaling dat de gemeente de aannemer geen opdracht heeft gegeven en dat zij daarom ook niet hoeft te betalen. Daarbij illustreert hij zijn opvatting met behulp van aannemers die garages bouwen voor mensen die geen auto hebben. Of marktkooplieden die meer kaas proberen te verkopen dan waarom hij heeft gevraagd.

Kennelijk is Van der Pijll  niet in staat te beseffen dat beide voorbeelden niet meer dan een karikatuur zijn van hetgeen er heeft plaatsgevonden. Zijn tragiek is, dat alles wat hij zelf gelooft tot feit verklaart, om daar vervolgens de verkeerde conclusies uit te trekken.

Wat hij niet door lijkt te hebben is, dat de opvatting, dat de aannemer geen opdracht heeft gekregen, gebaseerd is op een interpretatie van de uitkomst van een bijeenkomst tussen gemeente en aannemer op 11 maart 2015.

Of die interpretatie juist is laat zich alleen beoordelen aan de hand van het gespreksverslag van die bijeenkomst en na de mening van de aannemer daarover te hebben gehoord.

Verder beweert hij met enige stelligheid dat de gemeente niet wist dat de werkzaamheden werden uitgevoerd, terwijl in antwoord op zijn eigen vraag de gemeente bevestigde, dat er normaal toezicht is gehouden op die werkzaamheden. Kortom hij fantaseert er vrolijk op los en creëert op die manier zijn eigen werkelijkheid.

Mogelijk heeft de aannemer de uitkomst van die bijeenkomst wel degelijk gezien als een opdracht. Vast staat in ieder geval dat de gemeente zich op geen enkele wijze heeft verzet tegen de uitvoering. Ze heeft de aannemer ook niet bevestigd dat hij de werkzaamheden voor eigen rekening en risico uitvoerde en men heeft hem zelfs een betaling voor die werkzaamheden toegezegd.

Van der Pijll negeert bovenstaande aspecten en baseert zijn gehele betoog op een bewering van het college (die ze op geen enkele wijze heeft kunnen onderbouwen) en noemt dat dan een feit.

Vervolgens trekt hij uit dat feit verstrekkende conclusies, die hij met behulp van onware voorbeelden illustreert. Zo beweert hij onder andere, dat zich in het dossier geen enkele aanwijzing bevindt waaruit blijkt dat de verzwaring noodzakelijk was. Ofwel hij heeft een ander dossier onder ogen gehad dan ik, dan wel hij kan niet lezen.

In het dossier bevinden zich voldoende documenten die de noodzaak van verzwaring aantonen. Vanaf november 2014 wordt daarover tussen gemeente en stichting getwist. Niet over de noodzaak van de voorziening, maar over wie moet opdraaien voor de kosten.

Aan die twist (die de nodige vertragingskosten heeft opgeleverd) komt pas een einde als de aannemer op 11 maart 2015 besluit om tot de (noodzakelijke) verzwaring over te gaan na verzekering van de gemeente dat men voor betaling zal zorgdragen. De gemeente houdt die belofte gestand en vraagt de raad om een krediet.

Dat Van der Pijll en zijn medestanders daar vervolgens van alles omheen fantaseren komt uiteraard niet voor verantwoording van het college, maar voor rekening van Van de Pijll en zijn medestanders.

Waarom de gemeente het noodzakelijk vond om te benadrukken dat ze geen opdracht heeft gegeven is me een raadsel. Waarom ze de raad een achterhaalde offerte presenteerde als bewijs voor haar betalingsverplichting evenzeer. Daarmee wekte ze ten onrechte de suggestie dat de kosten van verzwaring € 100.000,- bedroegen. Inmiddels heeft ze erkend dat die slechts ongeveer € 30.000,- bedroegen.

Oppervlakkige bestudering van het raadsvoorstel en de bijgevoegde offerte deden de rest. Van der Pijll en met hem vele andere raadslieden lieten hun fantasie en hun vooroordelen de vrije loop en kwamen vervolgens tot onhoudbare standpunten.

Een daarvan is, dat het sluiten van een compromis iets anders is dan het maken van een onderlinge afspraak. In één van zijn reacties beweert hij tenminste niets te weten van een afspraak, omdat de inhoud ervan zich niet in het dossier bevindt.

En volgens hem bestaat iets niet als de wethouder zegt dat het er niet is en het zich ook niet in het dossier bevindt. Hij staat in die nogal simplistische opvatting overigens niet alleen.

Dit alles wordt mogelijk gemaakt door de bij raadsleden ingehamerde opvatting, dat alles wat het college beweert beschouwd moet worden als feit.

Vaak, maar niet altijd, zal dat ook het geval zijn, maar in dit geval is daar geen sprake van.

stolpDe meest in het oog springende kwalificaties voor de Enkhuizer raad zijn zelfvoldaanheid en gemakzuchtigheid.

Een fatale combinatie, zoals deze kwestie weer eens heeft aangetoond. Met als uiteindelijk resultaat dat de kiezers hun vertrouwen verliezen in het democratisch bestuur.

Maar de overgrote meerderheid van de raad schijnt zijn verantwoordelijkheid op dat punt niet te beseffen.

Men negeert kritiek van buitenaf en sluit zich (overtuigd van het eigen gelijk) af van de buitenwereld in de overtuiging dat die er toch niets van begrijpt.

Lekker veilig en gezellig met elkaar onder een stolp in de Breedstraat.

Hofhouding

hofhoudingZelf heb ik het begrip hofhouding wel eens gebruikt als metafoor voor de gemeentelijke organisatie.

Daarbij denk ik aan de drie elementen van die organisatie. Het college, de ambtelijke ondersteuning en de toezichthouder, de raad.

Een hofhouding kenmerkt zich volgens mij door een strikt hiërarchische  structuur, waarbij overdreven veel aandacht wordt besteed aan uiterlijk vertoon en daarbij passende fatsoensnormen. Vastgelegd in protocollen, gedragsregels en niet te vergeten een ongeschreven mores.

Maar bij een hofhouding hoort volgens mij ook, machtsstreven, intriges en heimelijke tegenwerking om persoonlijke belangen veilig te stellen.

Nu is het niet zo, dat dit probleem niet wordt onderkend. De ene management/organisatie guru  is nog niet vertrokken of de andere dient zich aan. Mijn eigen suggestie ter verbetering berustte op een eeuwen oud concept. Het aanstellen van een hofnar of paljas.

Die zou zich kunnen onttrekken aan de vaak verstikkende fatsoensnormen en de andere leden van de hofhouding een spiegel kunnen voorhouden. De prijs die hij er voor betaalde was dat hij (anders dan de andere leden van de hofhouding) nooit in aanmerking zou komen voor promotie of een machtspositie.

In een democratie bepaalt niet de koning wie er deel mag uitmaken van de hofhouding maar de kiezer. Vandaar mijn kandidaatstelling, hetgeen ik achteraf gezien betreur, omdat zij berustte op een denkfout. Het is een denkfout die populair is bij politici. Ze bestaat uit de opvatting dat je dingen alleen maar kunt veranderen door er aan deel te nemen.

Met andere woorden, druk van binnenuit is effectiever dan druk van buitenaf. Zelf denk ik, dat het omgekeerde waar is en daarom prijs ik mezelf gelukkig, dat de Enkhuizer bevolking in haar onmetelijke wijsheid besloten heeft om de Enkhuizer raad niet te verrijken met een Paljas.

Het statutaire doel van Paljas is niet om de belangen van bepaalde groepen te behartigen, maar om de discussie tussen die groepen te bevorderen en mogelijk te maken. Het voornaamste middel om dat doel te bereiken is het in stand houden van een weblog waarop ieder zijn opvatting of mening naar voren kan brengen.

Doel en middel zijn na de verkiezingen niet veranderd, maar wil dat zeggen dat hierdoor ook een soort hofhouding is ontstaan, zoals de reageerder beweert?

Ik citeer hem nogmaals,

Ik zie ook weinig reacties met andere geluiden: deze site lijkt inmiddels ook een eigen hofhouding van trouwe reageerders te hebben die alles onderschrijven. Mooi om te zien dat op deze blog eigenlijk hetzelfde ontstaat als wat volgens de schrijver aan de Breedstraat speelt. Zonder contextuele toetsing verworden meningen en ideeën tot ideologieën, niet?

Pardon? Het ontbreken van tegengeluiden wijst op het ontstaan van een hofhouding? Waar is de hiërarchische structuur? Waar zijn de fatsoensregels, waar is het streven naar macht? Waarom associeert hij de lezers van een blog met een hofhouding?

De gevestigde orde formuleert een opvatting. Ik formuleer een tegengeluid. Een bescheiden groep mensen waardeert dat. De gevestigde orde negeert het omdat dit tegengeluid geen reële bedreiging vormt voor hun machtspositie.

In de Breedstraat gaat het om het uitoefenen van macht. Op dit blog gaat het over een uitwisseling van argumenten. Dat de gevestigde orde zich daarbij niet of nauwelijks laat horen wijst niet op het ontstaan van een hofhouding. Het wijst op een gebrek aan belangstelling van de gevestigde orde.

En daar zit (wat mij betreft) het echte probleem. Democratie bestaat bij de gratie van een discussie op basis van argumenten. Als die discussie ophoudt, dan houdt uiteindelijk de democratie op.

De zinsnede “Zonder contextuele toetsing verworden meningen en ideeën tot ideologieën, niet?” begrijp ik niet, maar misschien wil Henk dat nog eens uitleggen.