Verplichtingen nakomen.

Ik maakte me al ongerust, maar ziedaar, ruim drie weken nadat ik mijn WOB verzoek had ingediend kwam de ontvangstbevestiging mijn brievenbus in rollen.

Met de mededeling, dat ik uiterlijk op 1 oktober een antwoord tegemoet kan zien.

Het is geen ingewikkeld verzoek. De gemeente beweerde (in antwoord op door HEA gestelde vragen) dat ze solvabiliteit van Orez bv had onderzocht en in orde had bevonden.

Mijn verzoek komt neer op inzage in de documenten, waarop de gemeente haar oordeel inzake de solvabiliteit van Orez BV had gebaseerd. Er van uitgaande, dat die zich in een mapje bevinden, dan wel digitaal zijn opgeslagen.

De gegevens waar ik over beschik zijn, dat Orez BV een werkmaatschappij is, zonder personeel en met een geplaatst kapitaal van € 200,-. Eigendom van een (op dezelfde datum opgerichte) houdstermaatschappij met een geplaatst kapitaal van € 201,-.

Kortom, op basis van welke overige documenten ben je (als gemeente) tot de conclusie gekomen, dat de rechtspersoon Orez BV solvabel was en in staat zou zijn om haar (in de miljoenen lopende verplichtingen) na te komen.

Belangrijk, omdat de gemeente de voorfinanciering van het project als een risico zag, dat ze wilde overdragen aan de ontwikkelaar.

Die, naar mijn bescheiden mening, gezien zijn werkkapitaal, dat risico natuurlijk alleen maar op zich kon nemen als hij tegenover ZIJN bank kon aantonen dat hij beschikte over een (door de gemeente afgegeven) onherroepelijke betalingsverplichting.

 

Pole position.

Het Enkhuizerzand is een prachtige en unieke locatie. Daarom is het ook zo opmerkelijk, dat geen ontwikkelaar in die locatie was geïnteresseerd.

Niet in een competitieve dialoog erover en evenmin in een Europese aanbesteding. Het liberale smaldeel in de raad had op voorhand al de vrees uitgesproken dat de gemeente veel te hoge eisen stelde. En toen de aanbesteding uiteindelijk mislukte werd de oorzaak al snel gezocht in de “te hoge” eisen van de gemeente.

Voor  zover ik weet heeft er echter nooit een onderzoek naar de reden voor mislukking plaats gevonden. Het college stelde een aantal scenario’s op voor wat betreft de te nemen vervolgstappen. [Met als voorkeur, onderhands overleg met een partij die wel had ingeschreven, maar niet aan de inschrijvingsvoorwaarden had voldaan.]

Die scenario’s werden op 2 februari 2016 aan de raad voorgelegd. Niet om daar over te beslissen. Het college benadrukte dat ze die beslissing al had genomen. De raad werd in staat gesteld om “zienswijzen” aan het college kenbaar te maken.

Aan het eind werd zelfs een stemming gehouden, zonder dat het duidelijk was waarover men zich precies uitsprak. Aan de notulen is een grafiek toegevoegd door de griffier, die als uitslag heeft 12 voor en 5 tegen. De notulist meldt, dat de uitslag van de stemming 9 voor en 8 tegen is. Niet alleen over de reden, maar ook over de uitslag van een stemming verschilt men in Enkhuizen van mening.

Maar als gesteld, een onderzoek naar de reden voor mislukking van beide pogingen om ontwikkelaars te interesseren voor zo’n  prachtige locatie als het Enkhuizerzand is nooit gedaan.

Kan het misschien zijn dat ontwikkelaars helemaal niet geïnteresseerd zijn in openbare aanbestedingen, maar dat ze veel liever (door middel van één op één gesprekken met de grondeigenaar) overeenstemming proberen te bereiken?

Ik kan me een dergelijke voorkeur van de ontwikkelaar heel goed voorstellen. Terwijl de weerzin tegen openbaarheid ingebakken is in de gemeentelijke bestuurscultuur.

Dus dat zou de verklaring kunnen zijn voor het feit dat, ondanks de unieke locatie, er geen hond belangstelling had voor een competitieve dialoog en de Europese aanbesteding.

Maar dan blijf ik toch nog zitten met de vraag, waarom de gemeente (die tot tweemaal toe een marktverkenning had uitgevoerd) niet wist hoe projectontwikkelaars te werk gaan en men tot tweemaal toe een kansloze missie uitvoerde.

Waarom kan buurgemeente Stedebroec wel rechtstreeks naar Europarcs toestappen en zeggen hier is de grond, dit zijn onze eisen, maak er wat moois van en moest Enkhuizen via een tussenpersoon onderhandelen met Droomparken?

Of hebben we de hele tijd zitten kijken naar een reeks schijnbewegingen waarmee een voorkeursgegadigde (Peter Tuin en consorten) in pole position moest worden gebracht?

 

Driemaal is scheepsrecht.

Na de verkiezingen in 2014 werd er een coalitie gesmeed tussen SP, CDA, NE en CU/SGP. Deze coalitie stelde zich tot doel de herinrichting van het Enkhuizerzand voortvarend ter hand te nemen.

De eerste poging was een competitieve dialoog tot stand te brengen. Nadat die poging was mislukt kreeg een Europese aanbesteding de voorkeur. Ook dat mislukte. In het particuliere bedrijfsleven worden er wenkbrauwen gefronst als twee opeenvolgende pogingen mislukken.

Maar niet in de bestuurlijke/ambtelijke wereld. Daar gaat men te werk volgens het principe dat “driemaal scheepsrecht is”. Zij, die verantwoordelijk waren voor de eerste twee mislukkingen mogen ook nog een derde poging wagen om de herinrichting van het recreatieoord tot een goed einde te brengen.

Het resultaat van deze derde poging ligt nu voor ons.

De gemeente heeft een bindende overeenkomst gesloten over de herinrichting van het Enkhuizerzand met een kort daarvoor opgerichte BV, zonder personeel en zonder enige  ervaring op het gebied van projectontwikkeling (met een dergelijke omvang) en met een geplaatst kapitaal van € 200,-.

Na het afsluiten van de overeenkomst hebben de eigenaars van de BV even gewacht tot er voor de gemeente geen weg terug meer was,  om haar vervolgens te verkopen aan een belangrijke “speler” op het gebied van recreatieparken. Droomparken.

Waarbij het gerucht gaat, dat de te verwachtten winst uit die overeenkomst zodanig is,  dat Droomparken grif bereid was om 4 miljoen te betalen om in het bezit te raken van die overeenkomst.

De overeenkomst voorziet in de uitvoering van een plan waar inmiddels 72 personen en instanties zienswijzen/bezwaren op hebben ingebracht. Onder de instanties bevinden zich zwaargewichten zoals het Ministerie, de Provincie, de IJsselmeervereniging. Alsmede de vereniging Heemschut en de vereniging Oud Enkhuizen.

Het is natuurlijk een uitzonderlijke prestatie als je na twee mislukte pogingen tot een resultaat komt waartegen alle direct belanghebbenden in het gebied, Zuiderzeemuseum, Sprookjeswonderland, Zeilschool/Strandpaviljoen en de Belangenvereniging van standplaatshouders op de camping, bezwaren hebben ingebracht.

Dat wijst er niet op, dat de gemeente de belangen van de direct betrokkenen serieus heeft genomen, maar zich volledig heeft gericht naar de wensen en belangen van de toekomstige ontwikkelaar in de verwachting dat daarmee ook haar eigen belang was gediend.

Inleiding tot de gehele gang van zaken (inclusief de reserves die door de raad naar voren zijn gebracht) kunt U lezen in de notulen van de commissievergadering op 19-1-2016  onder het agendapunt  Doorstart herontwikkeling Recreatieoord Enkhuizer Zand”

En in de notulen van de raadsvergadering op 2 februari 2016 met hetzelfde agendapunt.

Meer over deze bijeenkomsten in volgende columns.

 

Aanvullende vraag?

In antwoord op de door Enkhuizen Vooruit gestelde vragen laat het college het volgende weten.

Vraag. Welk bedrag is er door de Gemeente Enkhuizen tot dusver in rekening gebracht bij de projectontwikkelaar?

Antwoord. Alle financiële bepalingen, met daarbij de bedragen en de momenten waarop deze verschuldigd zijn, zijn opgenomen in de gesloten anterieure overeenkomst. Tot op heden is door ons een bedrag van € 383.000,– bij OREZ B.V. in rekening gebracht.

Een bedrag van € 383.000,- voor de ambtelijke bijdrage aan de werkzaamheden van Orez liegt er niet om, zeker omdat ik geen flauw benul heb waar die bijdrage uit heeft bestaan.

Wat we wel kunnen vaststellen is wat die ambtelijke bijstand NIET heeft opgeleverd.

Een bestemmingsplan dat voldeed aan de verwachtingen van de direct betrokkenen, zoals het ZZM, Sprookjeswonderland, de belangenvereniging van standplaatshouders en de zeilschool. Die hebben namelijk allemaal zienswijzen ingediend.

Ook van een soepele verhuizing van de camping (noodzakelijk voordat er überhaupt aan iets kan worden begonnen) is geen sprake.

Anderhalve maand voor het einde van het contract met de gemeente weten campingbewoners nog steeds niet waar ze aan toe zijn. Hopelijk wordt ergens in augustus duidelijk hoe de nieuwe camping er uit komt te zien en wie er mee kan.

Terwijl ook het tijdstip waarop er verhuisd kan worden nog steeds in nevelen is gehuld en men pas met herinrichten kan beginnen nadat de camping is verhuisd.

Kortom, wat de gemeentelijke betrokkenheid bij de plannen precies heeft opgeleverd is mij niet helemaal duidelijk. Misschien een aanvullende vraag waard voor EV!?

“Geschoren” worden.

Gisteren hield een lezer van dit blog me staande. “Weet je voor hoeveel Orez is verkocht” vroeg hij. Ik wist dat hij een kennis was van één van de oprichters van Orez.

“Ik weet het niet”, antwoordde ik waarheidsgetrouw. “Vier miljoen”, zei de lezer, “één miljoen de man”.

Ik durf niet te zweren, dat wat me verteld werd waar is. Misschien heeft de zegsman van mijn lezer de verkoopprijs wel wat aangedikt. Maar anderszins kost het me geen enkele moeite te geloven dat Droomparken bereid is geweest om vier miljoen neer te tellen voor de overeenkomst die Orez met de gemeente heeft gesloten.

Verder denk ik ook, dat de juristen waar Droomparken mee samenwerkt, dusdanig bedreven zijn, dat ze alleen hebben ingestemd met deze aankoop als ze er voor 99,9% zeker van waren, dat die 4 miljoen (linksom dan wel rechtsom) terug kon worden verdiend.

Dus dat is de keus waar de raad zich in september voor gesteld ziet. Maakt ze uitvoering van de overeenkomst (die tussen de gemeente en Orez is gesloten) onmogelijk (door niet in te stemmen met het voorgelegde bestemmingsplan), dan zal Droomparken eisen dat zij ten minste haar investering in het project (4 miljoen) vergoed zal krijgen door de gemeente.

En dan wil ik het raadslid wel eens zien, die het aandurft om de gemeente op te zadelen met een schadepost van 4 miljoen, zonder dat daar iets tegenover staat. Die instemming met het bestemmingsplan gaat er dus, wat de ingebrachte bezwaren ook mogen zijn, wel komen.

Wat de juridische positie van de gemeente zal zijn als een hogere instantie (provincie of de Raad van State) de ingediende plannen afkeurt, is moeilijker te beoordelen, maar ook daarmee zullen de juristen van Droomparken wel rekening hebben gehouden.

Wie wordt “geschoren” kan beter stil blijven zitten. Dat is precies wat er nu gebeurt en wat ook door wethouder Luyckx tijdens de laatste raadsvergadering werd voorgesteld.

De gemeente heeft zichzelf  in een positie gebracht waarin ze voor- noch  achteruit kan. Populair uitgedrukt, Droomparken heeft de gemeente bij de “short and  curlies”.

Hetgeen door de gemeente uiteraard in alle toonaarden zal worden ontkend, maar uit niets blijkt dat ze (wat wethouder Struijlaart ons nog steeds wil doen geloven) de regie voert.

Zwarte Pieten.

Opnieuw een alleraardigst voorbeeld van de strakke regievoering van de gemeente voor wat betreft  het Enkhuizerzand.

Het NHD beweert vandaag dat Droomparken een vergunning voor het inrichten van een camping heeft aangevraagd. De gemeente wil echter op haar beurt niet bevestigen dat zij een dergelijke aanvraag heeft ontvangen. Wie te geloven?

Volgens mij proberen gemeente en Droomparken de schuld voor de ontstane situatie op elkaar af te schuiven.

Met de ontstane situatie bedoel ik de onzekerheid waarin de campingbewoners (die mee willen verhuizen naar de nieuwe camping) verkeren.

Enerzijds is hun overeenkomst met de gemeente per 1 oktober formeel beëindigd en is er door de gemeente tot dusver geen aanbod tot verlenging gedaan.

Dat aanbod is wel gedaan door Droomparken, maar die heeft formeel geen zeggenschap over de bestaande camping. Waarschijnlijk zal er een soort formele overdracht moeten plaatsvinden, maar onder welke voorwaarden en voor hoe lang?

Ik ga er van uit dat Droomparken een vergunning heeft aangevraagd, echter wel in de wetenschap, dat die aanvraag pas in behandeling kan worden genomen, nadat het nieuwe bestemmingsplan onherroepelijk is geworden.

Maar dank zij die aanvraag kan ze (Droomparken) in ieder geval blijven betogen (tegenover de campingbewoners) dat ze er alles aan gedaan heeft om de nieuwe camping op tijd klaar te krijgen.

En zo heeft de gemeente opnieuw de Zwarte Piet in handen. Ook al omdat nog steeds blijft volhouden dat de camping per 1 april gereed zal zijn. Wat een tamelijk onzinnige opvatting is, als je er van uitgaat, dat een vergunning pas kan worden verleend, nadat het nieuwe bestemmingsplan onherroepelijk geworden is.

En dat moment kan nog jaren op zich laten wachten.

 

Waan van de dag.

Volgens de raadsbrief van 13 november 2018 was de anterieure overeenkomst met Orez bv  gesloten en werd ze ter inzage gelegd.

Met de mededeling, dat er tegen de gesloten overeenkomst geen bezwaar of zienswijze kon worden ingediend. Dat is formeel juist. Tegen de verkoop van grond kan de raad (of wie dan ook) achteraf geen bezwaren inbrengen, die tot gevolg hebben dat de verkoop ongedaan zou kunnen worden gemaakt.

Het college is namelijk bevoegd tot verkoop krachtens artikel 160, eerste lid onder e van de gemeentewet.

Echter, artikel 169.4 van de gemeentewet bepaalt het volgende:

4. Zij (het college) geven de raad vooraf inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, indien de raad daarom verzoekt “of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente. In het laatste geval neemt het college geen besluit dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.”

De gemeentewet lijkt me in dit verband duidelijk genoeg. Het college neemt geen besluit over de verkoop van gronden dan nadat zij de raad in de gelegenheid heeft gesteld om haar bezwaren tegen die verkoop kenbaar te maken.

Aangezien het besluit genomen was en de raad nooit in staat gesteld is om haar wensen en bezwaren tegen de verkoop kenbaar te maken, heeft de verkoop niet overeenkomstig de gemeentewet (artikel 169.4) plaatsgevonden.

Of dit een ontbindende voorwaarde van de verkoop is, waag ik te betwijfelen. Dat dit, in strijd met de gemeentewet handelen, de griffier ( die geacht moet worden op dit vlak de raad te adviseren) niet is opgevallen valt te betreuren.

Of dit gevolgen moet hebben voor degenen die doelbewust hebben meegewerkt aan het ontwijken van de wettelijke voorschriften, is aan de raad om te bepalen.

De tot dusver meest gebruikelijke gang van zaken is, dat de raad de schouders ophaalt en zich stort op de waan van de dag.